Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 139 )

En, lieve Henriette , deeze., tot myn ongeluk gefchapen hond, die reeds eens myne hoop verydeü hadt, verraadde my ! Hy vondt terftond myn fpoor, en fprong naar my toe. Ik greep naar hem , om hem te verftikken; ik was ook zoo gelukkig: maar ik kon, hoe klein hy is, hem de keel niet zoo vast toe drukken, dat hy niet nog luide genoeg zou gejankt hebben — en zoo vond men my!

Ik vreesde nu, dat ik van Busc h zeer gemishandeld zou worden: maar zy lagte met een onverdraag]yk vri-mdelyk gelaat en zeide: „ Waarachtig, gy

maakt den Generaal veele onkosten, want het is na-

tuurlyk, dat ik hem dit alles aanrekenen zal. Kom, „ kom, goed kind, de fchipper wil voort." * Ik heb den rest van deezen nacht daaraan hefteed, om u dit te fchryven; morgen vroeg moet ik fcheep, en ... .

Gy zult dit zeer laat bekomen ! De Kofak neemt het wel aan; maar binnen een kwartier uur moet hy fcheep, zoo als ik. Geen Mensch op ons fchip kan Duitsch; het zyn enkel Zweeden! Het gaat regelregt nair Stolp} en nu weet ik, wat het heet, hoopeloos te zyn. Het zy zoo ! Is niet den Sterveling de hoop, flegts gegeeven, om hem te kwellen? (*) Hoe bitter was de fmerte van alle deeze te-

looï-

(*) Neen! — wel is waar

« —— Credula vitam

Spesfovet, et m.lius erasfore [emper ait.—~~

Htcc

Sluiten