Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

%o LOÜISA MIL D.M A IJ.

VIERDE BRIEF.

De Heer Robert Harold aen Charles Melmoth Esq.

D it oogenblik koom ik van den ouden Heer terug. Wij kwamen zeer fpoedig tot eene overeenkomst; hij was zoo opgenomen met mijn voorftel, dat hij zelfs meerder tot den bruidfehat toevoegde, dan ik immer had kunnen verwagten. Hij was , gelijk hij mij zeide, een zuinig, fpaerzaem man, federt dertig jaren, en had verfcheiden aenmerkelijke erfnisfen van zijn vrouws maegfehap verkregen ; hierdoor is hij in ftaet, om zijne dogter een goede veertig duizend pond Sterlings mede ten huuwlijk te geven, daer hij buiten haer, maer één zoon heeft, die door het vaderlijke erfgoed en. andere zijner bezittingen in overvloed zal kunnen leven. Dus, mijn vriend! ben ik op den weg naer het huuwlijk: een maend na dezen dag is ter volbrenging der huuwlijksplegtighede.r bcpaeld. De oude Heer begeert, dat ik de laetfte veertien dagen van dien tijd ten zijnen huize, in Oxfordfhire, zal doorbrengen.

Toen wij overeengekomen waren tot het in 't werk-Hellen der regtsgeleerden, en het bepalen eeniger plegtigheden, werd ik bij Louifa ingeleid, die, om haer regt te doen, volmaekt eener Godheid gelijk was ; hare van nature zoo bekoorlijke geftalte kreeg te meerder bevalligheid, door een' betoverenden blos der bewustheid, en het teder gevoel, dat in haer

ver-

Sluiten