Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

223 LOUISA M I L D M A IJ.

Melmoth ! zie nu hoe verwonderlijk ik meester ware over mij zeiven! zeven maenden ? dus viel ik hem bcdaerd in de reden, en, zeker hebt gij in dien tijd gelegenheid genoeg gehad, om uw oogmerk te bereiken, 't zij door huwlijk, of op een fpoediger wijs; gij verftaet mij ? O! neen , waeragtig niet! andwoordde hij, ik werd geheel in mijn oogmerken • verijdeld, zij was den meeften tijd in een hevige koorts, en, in de tusfchenpoozingen harer herftelling kon niets haer bewegen , of noodzaken, om mijn aenzoeken intewilligen; de weinige vrienden, die in mijn geheim waren, rieden mij, om andere middelen te gebruiken, en lachten met mijn romaneske zuivere genegenheid, gelijk zij zeiden, voor een gekamerde en opgefloten minnares. Hun fpotternij had te meer ernst, daer ik een der roekeloosfte en wiidfte knapen uit hun bende was , en op verfcheiden tijden mij zoodanige losbandigheden met de fexe veroorloofd had, die mijn tegenwoordig gedrag onbegrijplijk deden voorkomen; 'er is niets, waervoor wij minder beftand zijn , clan voor de fchicht der fpotternij. Duizendmalen ftond ik gereed, om hun raed te volgen , en dikwerf bloosde ik, in 't geheim, over de laegheid in mijn gedrag, van Louifa tot mijn vrouw te willen nemen ; cie onverwinlijkheid mijner liefde overtrof mijn fchaemte, en ik werd teruggehouden van haer eenig geweld aentedoen, omdat de grootheid van haer ziel mij bekend was, en het waerfchijnlijk was , dat zij in zulk een geval , door wanhoop aengedreven , de hand aen zich zelva flaen zoude; zij had dikwerf zulks gedreigd, ik was

ver*

Sluiten