Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 517 )

yverige menfchen, die, uit zucht tot een verheevener volmaaktheid, een afzonderlyk genootfchap hadden opgerigt. In Godvrugtige Befpiegclingen, in den Landbouw of andere nutte Kunften onledig, leiden zy , in hunne afzonderingen, een onfchuldig cn onbefmét leeven; en, „ zo zy „ niet in den Tempel offerden", zonden zy, egter , als getrouwe aanbidders van den God onzer Vaderen, hunne Offeranden derwaarts. Doordrongen van eerbied voor den Wetgeever, was by hen niets eerwaardiger dan zyn naam. Die 'er kwalyk van durfden fpreeken, befchouwden zy als Godslasteraars; en (dit was zekerlyk geen werk van Verdraagzaamheid) bragten ze zonder mededoogen ter dood.

Zy waren, in de daad, van gedagten, dat de Zielen der Regtvaardigen, dit leeven verlaatende , na geene zyde van den Oceaan wierden overgevoerd, in een bekooriyk verblyf, daar de ftrenge koude van den Winter en de brandende hitte van den Zomer zich nimmer deeden gevoelen ; en dat de Zielen der Boozen onder de aarde wierden opgeflootcn, in een donker cn bevroozen hol, daar zy altoosduurende pynen Jeeden. Doch dit gevoelen, fchoon vry naby' koomende aan dat der Grieken, verfchilde, egter , niet van het gevoelen der Pharifeeuwen en van de meeste Jooden. Ecnftemmig met hun aangaande het wcezenlyke van het Leerftuk zelye, dat is, de belooningen en ftraffen van Kk 3 het

Sluiten