Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 220 )

kelyk. Gy zult den Dooven niet vloeken, noch voor het aangezigt des Blinden eenen aanjloot zetten ; maar gy zidt voor uwen God vreezen: Ik ben de heere. Levit. XIX. 14.

Deeze onwaardige mishandeling van eens anders zwakheid dunkt hem zo onmenschlyk, dat hy wil, dat, onder de plegtige vervloekingen, de Vloek worde uitgefprooken over de zulken, die dit Verbod zouden overtreeden. Vervloekt zy die eenen Blinden op den weg doet dooien; en al liet Folk zal zeggen, Amen. Deut. XXVII. 18.

% IV.

Goedwilligheid jegens de Reizigers.

De Reiziger, die zyns wegs onzeker is, bevindt zich, voor dit oogenblik, in den zelfden toeftand als de Blinde , die niet weet , werwaarts hy zyne fchreden zal wenden. De Wetgeever wil, dat men hem met de zelfde goedwilligheid zal behandelen. Verre van hem te doen dwaalen, wanneer hy na den weg vraagt, hebben wy eene Wet om hem dien getrouwlyk aan te wyzen.

In naavolging van ons, hadden de Atheners diergelyk eene Wet. Den Reiziger den Weg niet te wyzen, of hem verkeerd te wyzcn, om hem te doen dwaalen, was, in hunne oogen, eene zo fnoode handelwyze, dat zy haar

der

Sluiten