Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24 Dat 'er een God en Schepper

wezen, 't welk in zichzelven dood en gevoelloos is; en mogelyk wenfchen ook de verdedigers van dit leerftelfel in allen ernst dat wy 'er niet anders van zullen denken. — Het Wezen, 't welk door zichzelven eeuwig en noodzaaklyk is, 't welk alle mogelyke volmaaktheden in zich moet hebben, zou dus zonder eenige bewustheid, zonder eenige gewaarwording, zonder eenige werking zyn; het zou dood weezen; uit hoofde van zyne natuur moest het dood weezen. Want dewyl de natuur van het allerhoogfte Wezen hierï'n beftaat, dat het alle mogelyke volmaaktheden, die niet tegen elkander ftryden, in zich bevat, moeten leven, reden en vryheid, zulke eigenfchappen zyn die met de natuur van dit ftoflyk wezen onmogelyk kunnen beftaan. — Wat ben Ik nu? — een denkend deel van een eeuwig dood wezen. — En vanwaar bezit ik het vermogen dat ik myzelven bewust ben , dat ik denk? Is deeze kracht eene volmaaktheid die van de ftof werkelyk is onderfcheiden, of is zy van dezelve eene natuurlyke uitwerking ? — Of eigenlyk een almagtig, redelyk, vry Wezen my, indien ik uit niets anders dan ftof beftond, zulk een vermogen zou kunnen fchenken, behoeft hier nog niet onderzocht te worden. — Maar indien de grondoorzaak van myn wezen zelve eeuwig dood is, dan is het al zo onmogelyk dat deeze my eene volmaaktheid, die zyzelve niet bezit, zou kunnen mededeelen, als het onmo-

Sluiten