is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over de voornaamste waarheden van den godsdienst.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

194- Over de toelaating

reld telkens, naarmaate van baare verdorvene zedelykbeid, zo volmaakt is als zy zyn kan, en dat 'er nergens eenig overtollig kwaad is 's welk het menfchelyk gcjlacht , zonder oogmerk , ongelukkig maakt.

Ik heb in onze voorige Verhandeling gezegd, dat wy menfchen en deeze aarde naar één beftek gevormd zyn, en dat de natuurlyke inrichting deezer aarde naar onze zedelyke gefteldheid zodanig is afgemeeten , dat indien deeze natuurlyke inrichting eenigzins volmaakter was, zulks een bewys zou zyn dat de Schepper de zedelyke wezens, die hy tot bewooners van deeze waereld gefchikt had , in geenen deele moest gekend hebben. — Hoe naauwkeuriger wy de inrichting van deeze waereld overweegen , des te meer word deeze overeenstemming bevestigd, en des te meer moeten wy overtuigd worden, dat de Schepper den zedelyken toeftand der menfchen en deszelfs verval ten duidelykften vooraf heeft gezien , en daarop de geheele orde der dingen met eene oneindige wysheid ingericht. — Het kan nooit, als eene der onbetwistbaarfte waarheden , genoeg herhaald worden, dat het zedelyk kwaad oneindige rampen in de waereld voortbrengt,rampen,die het menschdomdoen iidderen en de geheele natuur tot het allervreesfelykfte tooneel van wanorde en elende maaken. Maar befchouwen wy alle die rampen naauwkeuriger, wy vinden, gelyk ik reeds

ge*