Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den val. 353

het pleegen der zondigfte wanorde word aangezet, maakt hem weder tot andere goede zaaken genegen. Menschlievendheid is, hy de eigenliefde, wanneer de laatfte niet volftrekt is benadeeld, of zich in gevaar denkt te zyn , altyd de werkfaamfte gronddrift in de natuur. Geen mensch bezit de neiging om zich over de eleude van anderen te verheugen. Hoe yverig, integendeel, is, in nood en gevaar, de drift om behulpfaam te weezen! ja, hoe veele bekoorlyke trekken van deeze menfchelyke welwillende geneigdheden zouden niet by den geheelen zinnelyken mensch, by den Wilden, tegen alle vreemdelingen duidelyk blyken , indien het geheugen van ondergaane beleedigingen, en de argwaan voor nieuw gevaar , hem daarïn niet wederhielden!

Dit is geene verdraaide befpiegeling, dit is ervarenis, algemeene menfchennatuur, welke zelfs van den ftrengftcn verdediger der aangeërfde verdorvene natuur word erkend. Maar, dewyl nu die algemeene menfchennatuur in den geheel - r.uuwen, in den onbefchaafden mensch, dewyl zy ook in den verdorvenften nóg plaats heeft; hoeveel moet zy dan doorreden, onderwys, en opvoeding, zelfs in den enkel-natuurlyken mensch, niet nog verbeterd en als veradeld kunnen worden! ja, hoe edel is zy niet reeds in een' aristides, een' epictetus, een' titus, een' marcus aurelius, en veele andere voorbeel-

III. deel. Z den3

Sluiten