Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gefchied- en Aardryks-kundige Inleiding. i$

die, ook verfchêuren zy de zwakker beesten, en daar de Schakals voor de menfchen bang zyn, zoo vallen, deze laatften dezelven wel aan. Zy zyn wel niet zoo hoog als de wolven, maar haare haairen zyn ruwer-, en met groote zwarte vlakken getcekend. Haar ruggraad is, even als die der krokodillen, onbuigzaam. Doch het is geen waterdier. De huid van den Schakals gebruiken de gemeene lieden daar even ééns, als by ons de aanzienlyke lieden de pelzen van andere vreemde dieren. Zelden vindt men, de groote gebergten uitgezonderd, tygers, en nog zeldzamer leeuwen.

Aan groote en kleine Hagedisfen, van veelerhande fooiten , ontbreekt het niet. Daar toe behoort de Chameleon, welke zich door een hooger rug en langer pooten van de overigen onderfcheidt. Hy kan den kop niet afzonderlyk en zonder het gehecle lyf bewegen. Zyn voedzel beftaat in de bloedeloze diertjens, welke op zyne kleverige tong gaan zitten. Het merkwaardigfte in dit beest is de verandering van zyne kleur, welke zich naar het onderfcheid der voorwerpen vertoont. Alhoewel het de donkre kleuren het ligtst aanneemt, en het er dus bruinachtig, groenen zwartachtig uitziet, echter zyn deze kleuren gemeenlyk met witte en roode kleuren gemengd. Wanneer hy in vryheid is, zyn de aangenomen kleuren levendiger , dan wanneer men het in een hok opgefloten houdt. In den. flaap veranderen zy niet, en by den dood van het heest word het vaal. Het heeft ongemeen vuurige oogen. Schorpioenen vindt men op veele plaatzen, en Slangen van verfchillende, doch B 5 gc?'

Sluiten