Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

so Gods. laatste Einde

Hem koomt het ganfche hart toe. — Derhaiyen, indien zedelijke rechtheid des harten beftaac, in het bewijzen van die achting of eerbied welke men fchuldig is, of de betamelijkheid en billijkJieid eischt; dan cischt de betaamelijkheid, dat men aan God oneindig de hoogfte achting betoonc; cn het weigeren van de hoogfte achting in dit geval , zou oneindig tegen de betaamelijkheid aanloopen. Eene gepaste hoogachting derhalven voor ;dit Wezen, is het geen,waarin de betaamelijkheid der achting oneindig meest gelegen is. ~— Hier uitmoet volgen: — Dat de zedelijke rechtheid en betaamelijkheid der geftddtenis, neiging, en gezindheid :a>an Gods Natuur, voornaamlijk beftaat, in Zichzelven oneindig hoog te jchatten, bovsn alle amlere wezens; of, met andere woorden: Daar in beftaac zijne Heiligheid.

én is het dus betaarneiijk, dat God Zichzel ven eene alles overtrehende achting toedraage, dan is het .ook betaarneiijk, dat deeze hoogice achting blijke, in die dingen waardoor Hij zich bekend maakt, in zijn Woorden Werken; d. i. in 't geen Hij ze^;, cn in 'tgeen Hij doet. Indien het iet oneindig beminnelijks is in God , dat Hij zichzelven de hoogfte achting toeeraage, dan is het iet beminnelijks, dat Hij zoo.hanileie, als hebben :.'e de hoogfte achting voor zichzelven, of dat Hij handeie op zuik eene vvijee, dat Hij toone zulk eene aehting voor zichzelven te hebben; zoo,dat het geen het hoogfte is in GoJs,achting, ook het hoogfte zij in zijne daaden en handelingen. En ilidien het Gods oogmerk

Sluiten