is toegevoegd aan uw favorieten.

Romeinsche geschiedenissen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

225

ROMEINSCHE

ir.

BOEK

vt.

HOOFDST.

J. voor ( 447.

J. van I 3°5-

meesterachtigen toon te gaan zitten, en' te zwijgen, tot dat mannen van meerder ^ jaaren hun gevoelen geüit hadden. „ Gij 'had gelijk," andwoordde valerius '••terftond op eenen ftouten toon , „ indien ik over uw voorftel wilde fpreken: maar ik heb andere, veelgewigtiger, zaaken op het hart; uwe overheerfching, uwe dwingelandij, uwe zamenzwering tegen het gemeenebest naamlijk. En heeft uwe overweldiging het Volk deszelfs Gemeensmannen ontrukt, op wier bijftand ik mij in mijne aanklagte tegen uwe ontwerpen beroepen zou; ik heb moeds genoeg, om mij op uwen ambtgenoot, op q. fabius te beroepen; dat hij, die driemaalen als Conful zich zoo waardig onderfcheidde, zijn voorig edel hart niet fchandlijk verlochene, zoo zal de Raad van hem ten minften niet vruchtloos de nederlegging van u lieder onwettig gezag verwachten." Fabius zoo onverwacht en op zulk eene treffende wijze aangevallen, gevoelde de billijkheid zoowel, als de fcherpte, van dit verwijt, en bleef, overftelpt van verlegenheid en fchaamte, fpraakloos zitten. Doch zijne ambtgenooten fprongen woedend van hunne