Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

boek IX. hoofdst.

J. voor C 388.

J, van R 364.

J. voor C

387. J. van I

365-

13, ROMEINSCHE

eigene eerzucht niet komen tot de uitlevering van drie mannen uit zoo een beroemd geflacht. Om echter allen verwijt 'van de mogelijke nadeelen van eenen .oorlog met de Galliërs te ontgaan, liet dezelve de uitfpraak over hunne eisfchen aan het Volk over, wiens oordeel dooide verdiensten hunner voorvaderen en de onvertzaagdheid van hun eigen hart in zoo verre bedwelmd werd, dat het zelve om geene ftraf der Fabiën kon denken , maar de Galliërs in tegendeel op het hevigfte verbitterde door die drie misdaadige afgezanten tot Krijgstribunen voor het aanftaande jaar te benoemen. (1) !. De overmaat van voorig geluk fcheen indedaad de Romeinen thands verblind te hebben in het buitengewoone gevaar, het

geen

(1) Plut. in Cam. p. 136, 137. Liv. L. v. c. 36. Diod. Sic. L. XIV. 113. De laatfte Schrijver verhaalt echter, dat de Raad, de eisfchen der Galliërs te vergeefsch hebbende willen afkopen, gezind was, om de Fabiën uit te leveren, doch dat hun vader op 's volks uitfpraak aandrong —— Behalven de drie Fabiën werden tevens tot Krijgstribunen benoemd q. Sulp. Longus, q. Serv. IV, en Serv. Cornelius malugi;nensis.

Sluiten