Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEKROONDE

Jongst lag ik mijne veldlier neêr, Met vastbelluit om naar geen' Lauwer meer te dingen,

Dan: de eerbied voor dien Opperheer, Die zijne wet gaf aan bevrijde dienstclingen,

Spoorde op uw' wensch mij aan, De hand aan 't fpeeltuig, zelfs hoe ongedagt, te flaan.

* * * Ontvangt dan — (leunzels onzer kunst! Dit woestenijlied bij de Tien gegeeven Woorden ;

Wie dingend zingt cisch recht, geen gunst, Bij 't worstlen om den krans in dorre doornenöorden. God van verbond en tijd! U zij, met beede om hulp, mijn' Bijbelzai:g gewijd!

Voorbe- ]L7

reidzeis tot iLLfgyptcns rouwpalcis, met Soans veld en fteden,

deWetgee- t>J f t

ving' De moedelooze Nijl en modderige poel,

In het ge-

meen- Gefield ten fchouwtoneel van hemelgrimmigheden, Betreurden Memfis ramp met zugtend nagevoel, "tStil Baalzephon fioeg, naast Migdols eenzaame oorden, Ontroerd, het ftaarend oog op 't bruisfehend roodemeir; Het ftijl Pihachiroth, langs blaauwgebrande boorden, Stond doodsch bij't golvend graf van't jongst verzonken hcir.

Het

Sluiten