Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ao HET BOEK DER PSALMEN.

Want in den dood is geene gedagtenis aan u, 6 Wie zal u in de Helle danken? Ik ben moede van zugten, ^ Mijn bed zwemt den ganfchen nacht in traanen,

En ik fmelt in traanen,

Mijn oog is duifter wegens verdriet. g Het ziet weer moedig op alle mijne vijanden:

Wijkt

vs. 6. in de Helle.") Ik moet nogmaals herinneren, wat ik reeds bij het boek Job gezegd hebbe, dat Helle niet de plaats der rampzaligen betekenen zal, (die word in het geheele oude Testament niet Helle genoemd, en daarheen dagt David, wanneer hij ook ftierf, niet te vaaren,) maar het geen wij in onze taal het Rijk der dooden noemen, doch deZe naam mogt in.eene Bijbel-overzetting niet voegen. Dit Rijk der dooden (lellen zig de Hebreeuwfche Dichters menigmaal voor als eene plaats . alwaar de afgefcheiden zielen nog met elkander omgaan; en op een anderen tijd zo , als het aan onze zinnen voorkomt, als de plaats van een zeer diepen flaap en vergetenheid. Dit laatile gefchied hier, dewijl David zegt, dat men God in de Helle niet danke f om dat het ontzielde lighaam, het welk ons hij geopende graven in de oogen valt, geen lof en dank tot God kan opzenden. Welk van beide eigenlijk Philofophifche waarheid zij, en of zig de afgefcheiden zielen in een' ftaat van flaap of bewuftlieid bevinden, vermeete ik mij uit deze dichtkundige voorftellen des te minder te beflisfen, om dat de Hebreeuvojche dichters twee geheel tegen elkander over geile ds zinneheelden gebruiken. Over het almeen is ook hier mijn oogmerk niet, godgeleerde leeringen voor te draagen, maar het boek over te zetten, waar uit een ieder deze leeringen zelf moet fcheppen.

vs. 8. Het ziet weer moedig op alle mijne vij-

an>

Sluiten