Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*3

C a p. III.

Eer ft & Godlyke openbaaring aan Samuel verleend. God laat nogmaals zyn ongenoegen betuigen aan den Hogenpriester Eli , wegens zyne al te groote toegeeftykheid, omtrent zyne zoonen, tevens hemde aannaderende ftraf aankondigende.

III.

Ondertusfchen werdt de jonge Samuel, onder i Eli's opzigt, by den Godsdienst, gebruikt. De Godlyke uitlpraaken waren, te dier tyd , zeldzaam, en God vergunde noch antwoord noch gezigt. (z) Maar nu gefchiedde het, terwyl Eli a

af-

niet hadden bereikt, terwyl hun vader reeds gedorven was, verzoeken, aan eenen anderen Priester te mogen worden toegevoegd, op dat zy flegts eenigzins den kost winnen mogten. Dit zou den verzoeker nu vergund worden , en hy zelf zou weer kinderen krygen, maar vroeg fterven; en dus zouden deeze kinderen wederom genoodzaakt zyn, hetzelfde verneederend verzoek, als hun vader, te doen. Men ziet, dat God het gedacht van Eli, als een waarichouwend teekeu, vooralle de gedachten der Priederen, ftellen wil, op dat geen hunner't wage, den Godsdienst en hunne daar mee verbondene waardigheid, zoodanig te onheiligen, als Eli's zoonen hadden gedaan. Verg. voords Ex. 20: v. 5. (n) p. i2i. En Deut. 24: v. 16. (1)

(s) Te vooren waren er nog, tenmindenvan tyd tot tyd, vergund, maar nu was zulks boe langer hoezeldzaamer geworden. Waarfchynlyk zoo wegens de algemeene afvalligheid des volks, als wel byzonder, wegens de verdorvenheid, die nu, tot in't Heiligdom, onder de priesteren zelfs, was doorgedrongen. Ondertusfchen wordt hier tog niet zoo zeer eene geheele ophouding, als wel ^ene zeldzaamer vergunning bedoeld, wyl wy nog in 'e ■ B 5 voorige

Sluiten