Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\%% E S T H E R.

geeven, met vrouwen en kinderen ten eenemaal uit te rooijen, het welke dan, door het zwaard hunner vijanden, zonder verfehooning en barmhartigheid, op den veertienden dag der twaalfde maand, Adar, in .het aanftaande Jaar gefchieden moet, op dat 7 deze, van oudsher en thans nog kwalijkgezinden, op éénen dag, door een geweldigen dood, ter helle vaaren, en wij dan in 't toekomende gerust en veilig mogen kerven."

Cap. III. 14.

III

Dit is de Copij des briefs, welke open 14 gezonden wierd in alle Provinciën en aan alle volken , en hen beval, om op dien dag gereed te zijn. De loopers gingen 15

uit,

en de aanmerking aldaar. Qok heeft Jofephus dezen titel behouden, en hjj volgt het Griekfche boek ftipt.

Op den veertienden dag] Het Hebreeuwfche boek had vs. 13. den dertienden. Jofephus komt weder met het Griekfche boek overéén, en heeft in het Edict den veertienden.

• «r. 14.. Dit is de Copij des briefs] Hier fchijnt in het Hebreeuwfche boek iets verlooren gegaan te zijnwant op deze woorden moet wel, blijkbaar, een af! fchriftdes Edicts gevolgd, of vooraf gegaan zijn.

vs. 15. Schufchan was in groote verftagenheid] De foóden moesten dus in die Refidentie niet alleen vrienden gehad hebben , maar over het algemeen ook geliefj geweest zijn ; in dezelfde ftad, waarin zij Volgens Cap. IX, een groot bloedbad aanregtten. "

Sluiten