Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cap. LXV. Si3

geene verfcheurende dieren. Dit is niets meêr dan een fabel der dichters, waardoor zij het tafereel verficren.

4-J 'Er waren nog geene tempels, en men kende geene wooning der Godheid, dan den Hemel. Dit is wederom met de Gefchiedenis geheel over» eénkomftig, inzonderheid in eenige landen: niet flegts ten tijde van Abraham, maer zelfs ten ttfde van Jofua waren 'er in Palestina geene tempels, maar flegts altaaren , of heilige hoogten onder den blooten Hemel, en wie zou in de eerfte kindsheid van het menfchelijk geflacht, bij voorb. zo lang Adam leefde, aan tempels denken. 5.J Men kende geene bloed-offers, maar bragtdeGodüeid ten hoogften flegts gaaven uit het Rijk der planten, offers van meel. Dit komt mogelijk met i de gefchiedenis van eenige landen, bij voorb. van Egypten, zo ver overéén, dat de Egijptenaars in de eerfte tijden geene bloed-offeranden gehad hebben; doch niet met de gefchiedenis van den Bijbel, welke ons reeds de bloed-offers van Abel verhaalt. Gen. IV: 4. 6.3 Het rund was bij den mensch heilig en onfchenoaar, zo dat een os te dooden aan een menfchenmoord wierd gelijk gefteld. Dit is de zeer gewoone befchrijving, welke de Dichters van de gulden eeuw maaken, en als daarbij eenige gefchiedkundige waarheid tot een grondflag kan lig. gen, dan is die in Egypten te zoeken; want dit volk, dat geheel van den akkerbouw leefde en veele runderen gebruikte, moest op een 'tijd wanneer de runderen nog niet genoeg vermeerderd waren, de zeiven ongemeen ontzien, en mogt niet toeftaan, ze te dooden ; ook plachten de Egyptifche wetten het leeven van eenige noodzakelijke en nuttige dieren regelregt te verzekeren, en op derzelver doodllagen leevensftraffen to fiellen, welke met de grootfte ftrengheid voltrokken wierden. De verdichtzelkunde nu verklaart deze verfchooning der osfen als eene deugd, goedheid en dankbaarheid, terwijl men het voor V 5 oir-

Sluiten