is toegevoegd aan uw favorieten.

De algemeene en byzondere natuurlyke historie, met de beschryving van des konings kabinet.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEWYZEN voor de beschouwing van den AARDKLOOT. I. St. 69

eene zeer fchuinfche rigting gefchiedt, het welk meermaalen op die wyze, dan op eene andere moet gebeuren, dan zal de Komeet flegts de oppervlakte der Zonne affchilferen, of tot op eene kleine diepte uitvooren; en in dit geval zal zy daar weder uit te voorfchyn kunnen koomen, en daar eenige brokken affcheuren, waar aan zy eene gemeene beweeging van voortftuwing zal mededeelen, en die deelen of brokken, buiten 't lighaam der Zon gevoerd, en de Komeet zelve, zullen dan Planecten kunnen worden, die in het zelfde vlak, en in dezelfde rigting, rondom dit Geftarnte draaijen zullen. Men zoude mogelyk kunnen uitrekenen, welke malfa, welke fnelheid, en welke rigting eene Komeet zou moeten hebben, om eene hoeveelheid Stof, even groot als die, welke de zes andere Planeeten en haare Wagters uitmaaken, uit de Zon te rukken; maar dat onderzoek zou hier buiten zyne plaats zyn; het zal genoeg wezen aan te merken, dat alle de Planeeten met de Wagters niet het 65ofte gedeelte van de maffa der Zon uitmaaken. (zie Newton pag. 405.) om dat de digtheid der groote Planeeten, Saturnus en Jupiter, minder is dan die der Zon; en dat, fchoon de Aarde viermaal, en de Maan vyfmaal digter of vafter is dan de Zon, dezelve egter flegts kleine korreltjes, ondeclbaare deeltjes, zyn in vergelyking der malfa van dit Geftarnte.

Ik erken, dat, hoe onaanmerkelyk een 65ofte gedeelte van een geheel moge zyn, het in den eerften opflag egter fchynt, dat 'er eene zeer vermogende Komeet gevorderd wordt , om dit gedeelte af te fcheiden; maar zo men acht geeft op de verbaazende fnelheid der Komeeten in haaren naaften Zonneftand, eene fnelheid des te grooter naar maate haare loopweg regter is; zo men acht geeft, dat zy ten uiterften digt by de Zon koomen, en daarenboven in aanmerking neemt de vaftheid en digtheid der Stofte, daar zy uit beftaan moeten, om, zonder verdelgd te worden, de onbegrypelyke hitte te verdraagen, welke zy by de Zon ondervinden; en zo men zig ter zelfder tyd herinnert, dat zy voor de oogen der Waarneemeren een helder en vaft pit vertoonen, dat het licht der Zonne, dwars door den ongemeeten dampkring der Komeet, die dat pit als omzwagtelt en noodwendig moet verdonkeren, fterk te rug kaatft; zo men dit alles in aanmerking neemt, zeg ik, zal men niet lang kunnen twyffelen, of de Komeeten uit eene zeer vafte en zeer digte Stoffe beftaan, en dus eene groote hoeveelheid ftoffe onder een klein volumen bevatten; en men zal daar uit ligtelyk kunnen opmaaken, dat een Komeet malfa en fnelheid genoeg kan hebben, om de Zon te verplaatfen, en eene voortgeworpen beweeging mede te deelen aan zulk eene aanmerkelyke hoeveelheid Stoffe als het ó5ofte gedeelte der malfa van dit Geftarnte is. Dit koomt volmaakt wel overeen met het geen men wegens de vaftheid der Planeeten weet; men agt, dat dezelve zo veel minder is , als de Planeeten verder van de Zon af zyn, en als zy minder hitte hebben te verduuren, zo dat Saturnus minder digt of vaft van ft of is , dan Jupiter, en Jupiter veel minder dan de Aarde. En inderdaad zo de vaftheid der Planeeten , gelyk Newton wil, evenredig is aan de hoeveelheid hitte, welke zy verdraagen moeten, dan moet Merkurius zevenmaal vafter zyn dan de Aarde, en agt-en-twintig maal vafter dan de Zon. De Komeet van 1680, moet 28000 maal vafter zyn dan de Aarde, cf 112000 maal vafter zyn dan de Zon; en haar onderftellende even groot te zyn als de Aarde, moet zy onder dit volumen eene hoeveelheid Stofte bevatten, ten naaften by gelyk aan het negende gedeelte van de malfa der Zon; of, aan dezelve niet dan hethon-

I 3