Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ai6 DE NATUURLYKE HISTORIE.

de werking dezer vreemde magt was opgereezen , zyn waterpas, en wint de kus-1 ten, en de plaatfen, die het genoodzaakt was geweeft te verlaaten, weder. Vervolgens wanneer de Maan den Meridiaan der tegenvoeters, ten opzigte van de plaats alwaar wy eerft gefteld hebben, dat zy het water verheft heeft, doortrekt, heeft het zelfde uitwerkzel plaats ; de wateren verheften zig op dit oogenblik, wanneer de Maan afwezig, en verft af is , merkelyk, zo vee! als in den tyd wanneer de zelve tegenwoordig en naaft by dit gedeelte der Zee is; in het eerfte geval verheffen de wateren zig om dat zy nader by den Planeet zyn dan alle andere deelen van den Bol, en in het tweede geval gefchiedt dit door een tegenftrydige reden; zy verheften zig niet, dan om dat zy 'er verder af zyn dan alle andere deelen van den Bol, en men ziet wel dat dit het zelfde uitwerkzel moet voortbrengen; want gelyk als dan de wateren van dit gedeelte minder aangetrokken worden dan al het overige van den Bol, zullen zy zig noodwendig van het overige van den Bol ververren, en eene verhevenheid maaken, welker top tegen het punt der minfte werking zal óverftaan, dat is te zeggen, tegen het punt des Hemels regtftreeks gekeerd naar de overftaande zyde van dat, alwaar de Maan zig bevindt, of 't geen op het zelfde uitkoomt, tegen het punt, alwaar de Maan dertien uuren vroeger geweeft is, toen zy de wateren de eerfte reis hadt opgeheeven; want wanneer zy aan den Gezigteinder is gekoomen, en de Eb is ingevallen, is de Zee in haaren natuurlyken ftaat, en de wateren zyn in evenwigt en waterpas; maar als de Maan in den tegenoverftaanden Meridiaan is, kan dit evenwigt niet langer beftaan; dewyl de wateren aan den kant, die tegen de Maan óverftaat, op den grootften afftand zyn van dien Planeet, waar in zy kunnen zyn, worden zy minder geftuit dan het overige van den Bol, het welk tulfchen beiden liggende digtft by de Maan is, en dus voert hunne betreklyke zwaarte , die hen altoos in evenwigt en waterpas zoekt te houden, hen naar het tegenoverftaande punt van de Maan, om dit evenwigt te bewaaren. Dus moeten in de beide gevallen, wanneer de de Maan in den Meridiaan van eene plaats , of in den tegenovergeftelden Meridiaan is , de wateren zig ten naaftcn by in de zelfde hoeveelheid verheften , en bygevolg verlaagen , en ook in de zelfde hoeveelheid te rug vloeijen, wanneer de Maan aan den Horizon is, by haar opof onder-gaan.

Men ziet wel, dat de bcweeging , waar van de oorzaaken en uitwerkzels zodadanig zyn als wy verklaard hebben, de geheele maffa der Zeën noodwendig roert, en haar in alle haare uitgeftrektheid en in alle haare diepte doordringt; en zo deze beweeging onmerkbaar fchynt in de hooge Zeën, en wanneer men verre van het land af is, is zy egter niet minder wezendlyk; de bodem en de oppervlakte der Zee worden ten naaftcn by eveneens bewoogen, en zelfs de wateren van den bodem , welken de winden niet kunnen beroeren, gelyk als die van de oppervlakte, ondervinden deze werking regelmaatiger dan deze, en zy hebben eene geregelder beweeging , en dewelke altoos beurtelings op de zelfde wyze gcrigt is.

Uit deze beurtelingfche beweeging der Eb en Vloed fpruit, gelyk wy gezegd hebben , eene geduurige beweeging der Zee van het Ooften naar het Wcften, om dat het Geftarnte het welk de zwelling der wateren voortbrengt, zelf van het Oosten naar het Weften loopt,en, in deze rigting werkende, de wateren, die den loop van dit Geftarnte volgen , dwingt dezelve insgelyks te houden. Deze bewceging der Zee van het Ooften naar het Weften is zeer duidelyk in alle Straaten, by voorbeeld ,

Sluiten