Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3o DE NATUURLYKE HISTORIE

klompjes toelaaten dan zulken, die hun voegen; alle de deelen des lighaams van eene Plantluis, of van eene Uijen, ontzvvagtelen zig door deze opneeming, of inwendige tulfchenvoeging der klompies, die voor hun gepaft, of met liiw overeenkomftig zyn, en wanneer die ontzwagteling tot een zeker punt volbragt is, en de Plantluis en de Uijen groot genoeg geworden zyn, om een volwaffen Plantluis of Uije te zyn, zo wordt de hoeveelheid werktuigelyke klompjes, welke zy voorgaan met het voedzel te ontvangen, in plaats van tot de ontzwagteling haarer verfchillende deelen gebruikt te worden,van elk dezer deelen te rug gezonden naar eene of meer plaatfen van hunne lighaamen, alwaar deze werktuigelyke klompjes zig verzamelen, en zig vereenigen, door eene kragt, gelyk aan die, welke hen de verlchillende deelen van het lighaam dezer Individu's deedt doordrin en; zy maaken, door hunne vereeniging, één, of meer kleine bewerktuigde hghaampjes, geheel gelyk aan de Plantluis of de Uijen; en wanneer die kleine bewerktuigde lighaampjes geformeerd zyn, ontbreekt hun niets anders, dan de middelen om zig te ontzwagtelen, het welk zy beginnen te doen, zo dra zy voedzel onder hun bereik krygen; de kleine Plantluis koomt dan uit het ouderlyk lighaam te voorfchyn, en gaat haar voedzel zoeken, op de bladen der Planten; men fcheidt de klyfter of aangegroeiden bol van de Uijen, en deze vindt dat voedzel in den boezem der Aarde.

Maar hoe zullen wy deze redeneering toepaffen op de voortteeling van den Menfch en der Dieren, die Sexen hebben, en tot dewelke het nodig is dat twee Individu's, van ydere verfchillende kunne één, te famenkoomen? Men begrypf wel uit het geen gezegd is, hoe yder Individu zyns gelyken kan voortbrengen; maar men begrypt niet, hoe twee Individu's , het een mannetje, het ander wyfje , een derde voortbrengen, dat ftandvaftig tot één van deze kunnen behoort. Het fchynt zelfs, dat de befchouwing en verklaaring, welke wy voorgedraagen hebben, ons verwydert van deze foort van voortteeling op te helderen, welke egter die is, daar wy het meeft in betrokken zyn.

Voor dat ik de vraag beantwoorde, kan ik niet nalaaten aantemerken, dat eene der eerfte znaken, welke my getroffen hebben, toen ik begon agtervolgende opmerkingen over de voortteeling te maaken, is, dat alle die geenen, die onderzoekingen over dit onderwerp aangefteld, en Samenftelzels gegeeven, hebben , zig et-niglyk hebben bepaald, tot de voortteeling van den Menfch, en van de Dieren; zy hebben alle hunne denkbeelden tot dat onderwerp gebragt, en niet dan de byzondere voortteeling beichouwende, zonder op de andere foorten van voortteelingen, welke de Natuur ons vertoont, te letten, hebben zy geene algemeene denkbeelden over de hervoortbrenging kunnen hebben; en gelyk de voortteeling van den Menfch en van de Dieren, van alle foorten van voorneelingen , de ingewikkeldfte is, hi-bben zy een groot nadeel in hunne onderzoekingen gehad; om dat zy niet flechrs het moeijtlykft verfchynzel hebben aangetaft, maar ook om dat zy geen onderwerp van vergelyking hadden, waaruit het hun mogelyk ware, de oplofling der vraag te haaien. Het is hier aan voornaamlyk., dat ik den ongunftnicn uitflag-van hunnen aibeid,over deze ftoffe,meenete aioeten toefchryven; daar ik integendeel overtuigd ben , dat men, langs den weg , dien ik heb ingeflaagen, zo verre ko >men kan als mogelyk is, om de verfchynzeis van alle foorten van voortteelingen op eene voldoenende wyze te verklaaren.

Sluiten