Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER DIEREN. 13$

Wat zullen zy dan zyn? Men vindt hen overal, in het vleelch der dieren, in de zelfftandigheid der gewaffen, men vindt hen in grooteren getale in de zaaden der eene en der andere; is het niet natuurlyk, hen te befchouwen als leevende werktuigelyke deelen, die het dier of het gewas uitmaaken? als deelen, die, beweeging en eene foort van leven hebbende, door hunne vereeniging leevende en beweegende wezens moeten voortbrengen?

Maar om de minft mogelyke tvvyffeling over dit alles agter te laaten, zo> laat ons de waarneemingen van anderen onderzoeken; kan men zeggen, dat de werkzaame machines, welken de Hr. Needham in de hom van den kalmar gevonden heeft, dieren zyn? Zou men kunnen gelooven, dat de ei' jers, die werkzaame machines van eene andere foort zyn, ook onder de die» ren behooren? En zo wy het oog ftaan op de afbeelding van bykans alle de lighaamen in beweeging, welken Leeuwenhoek met het mikroskoop in eene oneindige menigte van verfchillende ftoffen gezien heefc, zullen wy dan ,• zelfs met den eerften opflag, niet erkennen, dat die lighaamen geene dieren zyn, naardien geene van hen leden heeft, en zy allen of bolletjes, of meer of min verlengde, meer of min platagtige, eyronden zyn? Zo wy vervolgens onderzoeken het geen die beroemde Waarneemer gezegd heeft, als hy de beweeging dier gewaande dieren befchryft, zullen wy niet langer kunnen twyffelen, of hy heeft ongelyk gehad met dezelve als zodanig te befchouwen; en wy zullen ons meer en meer in ons gevoelen beveiligen, dat het alleen de werktuigelyke deelen in beweeging zyn. Wy zullen 'er hier verfcheiden voorbeelden van bybrengen. Leeuwenhoek geeft de figuur dezer beweegende lighaamen, welken hy in het vogt der zaadballen van eene mannelyke kikvorfch hadt waargenoomen. Die figuur vertoont niets dan een dun en lang lighaam, dat aan het een eind puntig uitloopt, en zie hier wat hy daarvan zegt: (d) „ Op den eenen tyd kwam my het „ hoofd, (dus noemt hy het dikke eind van het beweegend lighaam) wel wat „ dikker voor dan op den anderen tyd, en doorgaands konde ik het lighaam van

veele diertjes niet verder bekennen dan van het hoofd tot het midden des lig-„ haams, en dat om de dunte van den ftaart, en wanneer het diertje zig fterk „ bewoog, (dat nogtans een zeer langzaamen voortgang hadt,) zo maakte het aan „ het hoofd eene flangswyze beweeging; voorts was het lishaam met weinig be„ weeging, maar met den ftaart floeg het wel in drie of vier bogten:" (b) Zie daar de verandering van gedaante welke ik gezegd heb, opgemerkt te hebben-, zie daar de fnotterigheid, waar van het beweegend lighaam pooging doet om zig los te maaken; zie daar eene langzaamheid in de beweeging, wanneer deze lighaamen niet los zyn van hunne fnotterigheid; en zie daar eindelyk een dier, volgens: Leeuwenhoek, wiens één gedeelte zig beweegt, terwyl het ander zonderbeweeging' blyft, waarvan het één gedeelte leevend, het ander dood, is; want hy zegt laager;. (c) „ Anderen hadden weder haar voorfte gedeelte van haar lighaam krom gebo--

(a) Oper. Tom.l. pag. 51.

Uno tempore caput crajfius mibi apparebatquam alio; plerumque agnofcebam animalculum baud tilterius quam, a Capite ad medium corpus, ob caudx tenuitatem, & cum idem animalculumpau-U vebementius moveretur, (quod tarnen tarde fiebat,) quafi volumine quodam circa caput fwiba* tur Corpus fere carebat motu ; cauda tarnen in tres quatuorve fiexns volvehatur.

Q) I Deel, Ned. Uitgaave, 38e miflive, pag. 6.

(c) Movebant pojleriorem Jolum partem, qvx ultimo, morti vicina ejje j'udical/am>

Sluiten