is toegevoegd aan uw favorieten.

De algemeene en byzondere natuurlyke historie, met de beschryving van des konings kabinet.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2I4 DE NATUURLYKE HISTORIE,

No. CDXXXII. Het geraamte van een ezel. Het hoofd is een voet en vier duimen en een half lang van de punt van het bo• venkaakbeen, tot aan de dwars lyn van het agterhoofd, en heeft twee. voeten en , een duim omtreks, gemeeten op het agterfte deel van de oogputten en op de hoeken van het onderkaakbeen; de hals heeft een voet drie duimen en een half lengte., het lighaam twee voetenen zeven duimen; dé holte der ribben, heeft drie voeten , en vyf duimen omtreks; het voorftel is drie voet en vier duimen hoog; en het agterftel drie voeten twee duimen; het lighaam van het eerfte, tweede en derde ï wervelbeen der lendenen zyn door beenuitwaffen vereenigd: het nootbeen ontbreekt in den linker agtervoet, en de twee driehoekige beentjes in den regter voor. voet; het beentje van den eerden regel en de driehoekige beentjes van den linker agtervoet zyn van hout, met wafch overdekt.

No. CDXXXIII. Het tongbeen van een ezel. Dit been of liever deze verzameling van beenderen, is uit een onderwerp van > gemeene grootte genomen, en verfchilt alleen van dat van het paard, onder No. : CDXX. vermeld, door de grootte; voorts gelykt het zo volmaakt, dat, indien deze t wee tongbeenderen uit dieren van dezelfde grootte genomen waren, het niet mogelyk zoude zyn, het eene van het andere te onderkennen.

No. CDXXXIV. Wervelbeen van den rug van eene ezelin, dat naar een wervelbeen der lendenen gelykt. Van dit wervelbeen is in de befchry ving van het geraamte van den ezel gelprooken, op het artikel van de wervelbeenderen der lendenen; het is dus genoeg hier te herinneren, dat het wervelbeen van den rug, waar van wy fpreeken, een byko, mend uitfteekzel heeft aan de linkerzyde (A, Pl. XII, fig. 6).

No, CDXXXV. Beenuitwas op een der eerfte wervelbeenderen van een ezel.

Dit wervelbeen is gedekt met beenagtige uitwaffen op alle deszelfs deelen, behalven de wanden der groote opening, het midden der vlaktens van het doornig uitfteekzel, en de voorfte oppervlakte van het lighaam van het wervelbeen, onder hetwelk dit beenagtig uitwas eene groote dikte maakt.

No. CDXXXVI. Samengroeijing van eenige doornagtige uitfteekzelen , der laatfte rugswervelbeenderen van een ezel. Dit ftuk beftaat uit drie wervelbeenderen, welker doornagtige uitfteekzels famengegroeid zyn door een beenuitwas, hetwelk een knobbelagtige dikte heeft op de linkerzyde.