Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ö44 DE NATUURLYKE HISTORIE,

•bek fleekt naar vorenuit,cn het onderft van het onderft kaakbeen zitby den grond.; zy hebben de ooren regt, en de voorpooten op zulk eene wyze geboogen dat de voorarm tennaaftenby aan den arm raakt, en dat de voeten den grond en byna de -fchoudersraaken; de elleboog zit evenwel op eenigen afftand van den grond; dewyl de agrerpooten veel langer zyn dan de voorpooten, buigen zy zig in drieën.; -de eigenlyke voet, de agtervoet en voorvoet raaken aan den grond, van de nagels tot aan de hielen; de beenen zyn naar voren, en de dij n naar agteren geboo.gen, zo dat de kniëen digt by de voeten, en de billen neg digterby de hielen zitten ; de ftaart ftrekt zig horizontaal naar agteren uit, of kromt zig naar omhoog. -..Wanneer het dier zig gereed maakt om te gaan,zet het zig op zyne pooten, door gedeeltelyk de armen en de voorarmen de dijen en de beenen uit te ftrekken; in deze geftalte raaken de voorpooten.den grond .flegts met de vingeren, maar de , agterpooten raaken denzelven dooreen vry lang gedeelte dat zig van de hiel tot .aan het-eind der vingeren uitflrekt, en dat eene horizontaale rigting blyft behou,-den : gelyk dat deel byna even lang.-is als het agterfle ftel in die houding hoog, is het onmogelyk dat het dier, wanneer het op zyne hielen ftaat, m ftaat zy om niet zulke lange voeten te flappen, of met flappen te gaan, ten zy hetzelve op de punt • van den voet of van de hiel gaat; in het eerfte geval zoude het gelyk de honden de kat en de meefte dieren gaan, maar de pooten zyn niet lang, gelyk die dezer ,dieren,en dus zoude zyn gang langzaam en zeer moeijelyk zyn: het ander geval zoude ■ ftrydig zyn met de wetten der Natuur, want het zoude een gedeelte van den voorvoet, den geheelen .agtervoet en alle de vingers nutteloos en zelfs zeer ongemakkelyk gemaakt hebben. Ook gaat het konyn niet, noch op zyne hielen, noch op het eind van zyne voeten; het gaat zelfs in het geheel niet met zyne agterfte •pooten, maar hetYpringt met dezelven. In zynen langzaamften gang brengt het .eerft eenen der voorpooten naar voren en vervolgens den anderen ;gedtmrende dezen eerften, en zelfs geduurende den tweeden en derden ftap met de beide voorpooten blyft het agterfte ftel onbeweeglyk, maar het lighaam rekt zig uit, het agterft gedeelte van het lyf wordt naar voren getrokken, de dijen jregten zig overeind op de agterpooten, de hielen doen dit insgelyks, en brengen dus het geheel agterft gedeelte des lighaams naar voren; vervolgens fchiet het dier naar voren met zyne agterfte pooten op den grond ruftende, dus fpringt en galoppeert het met het agter.fte ftel, terwyl het met het voorfte ftapswyze voortgaat.; maar wanneer het dier fchielyk voort wil, en zig aan eenen fnellen loop overgeeft, galoppeert het met de voorfle gelyk met de agterfle pooten ; dan flrekt het dezen in de gehe.ele uitgestrektheid vari derzelver fpieren uit, en legt met eenen fprong eenen vry grooten weg af; het valt op zyne voorpooten neder, en fteunt weder op zyne agterpooten .om op nieuw vooruit te fchieten.

In verfcheiden omflandigheden ligten de konynen, zo mannetjes als wyfjes,, hun agterflel zo hoog op dat zy met hetzelve van den grond raaken, maar dan vallen zy op hunne hielen neder met eeue kragt die groot genoeg is om eenig geluid te geeven, als zy den grond met hunne pooten weder raaken. Dikwyls zetten zy zig op hunne hielen en billen neder, zo dat hun lighaam dan in eene fchuiniche rigting naar voren ftaat; in deze geftalte of houding bedienen zy zig van hunne voorpooten als van armen en handen, om hunne ooren nederwaarts te buigen

Sluiten