is toegevoegd aan uw favorieten.

De algemeene en byzondere natuurlyke historie, met de beschryving van des konings kabinet.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92 DE NATUURLYKE HISTORIE,

oeltïes bedekt was, die zeer kort waren, en fchuinfch van voren naar ag?eren en van buiten naar binnen ftonden. Men zag op het agterft gèdeel| te zes kleine kelkkliertjes, drie aan ydere zyde, de twee eerfte waren de trootue e ftonden de v'erfte van eikanderen af, en de twee laatften deeden dit tuinder dan de beide tweede; daar was ook een grooter afftand mflcbèn de eerften en de tweeden dan tuffchen de tweeden en de dei den. ^eTvéihS^as door vyf of zesivooren doprfneedeh, die breed e randen hadden en die bolrond naar voren ftonden, en th net mddra hunne? l!m^ïgltookm ^n, behalve* de buitenfte rand van de eerfte.voorj nSLte een grooten knobbel, die?zig tot aan de fnytanden uitftrekte> HetCtUapje ftont een weinig agter over geboogen en was wat rond aarzvn eind De groote en kleine herffenen geleeken naar die van de meefte andere viervoetige dieren; de groote Herffenen hadden eene dne, SXte gdyk de kop, zy woogen eene once, drie groffen en een ha^lg^ffêien waren gedeeltelyk onder de groote herffenen geplaatft, zv wooaen een gros en zes-en-vyftig greinen.

Deteddeelen van het mannetje, zo wel m-als uitwendige, waren zeer klein- Taar was geen balzak voorhanden; de zaadballen zaten m de hezen eeriaatft Daïi was een beentje (fig. 4, Pi. X«D ^ »S $ het i^SóSiT(J9 Pi- *0 en een gedeelte van de roede (B) uitftrekte; de Svande pisbuis vertoonde zig niet zeer duidelyk men heeft dLeWe by de figuur door een ftilet (C) aangeweezen. De pisbuis met haare Mer CD) voorzien was zo dik als de roede (ö), van de doorfneede CE F) der fponsagtige lighaamen af, tot aan de pisblaas (G) toe die eene eyronf gedaante hadt"; de pisleiders (H T) planten zig by den hals (G)

^Sde roede zaten twee koorden (£) die door een celagtig weefzel aan efand^ren zaten, dat hpg^emgè^È^^Z?^ deze koorden ftrekten zig van de voorhuid (C) tot aan den aais (L) uit, ra zongen tuffchen de beide blaasjes (M N) door, die naaft den regtendarm ch zaten, en van welken reeds melding gemaakt is.

S aöiidTnde vaaten (PO) waren niet zeer lang en de. zaadballen (R S) waren zeer klein; zy hadden van binnen een kern die in de lengte liep Ik heb noch voorftanders, noch zaadblaap gezien

Het is moeijelyk de uijers of prammen van de wyfjes dezer dieren te vindra omdat zy zeer klein zyn. Ik heb 'er flegts vier gevonden by een o oot wyfje dat kort te voren geworpen hadt; zy vertoonden zig toen zeer duüelvk, en waren op den buik geplaatft, twee aan elke zyde.

De klink van de wyfjes is verfchülend gemaakt van die van andere dieren;

uitwend vertoonden^ twee «^^^gg ^ïLtk ü<t 1 PI. XW), en eene tweede (c D) die 111 de bieeüte, 01 ttwarira door de eerfte gong; als men de lippen van de eerltgenoemde fpleet (Ag C, fig% 5! PI. Xlil, en fig. 0., PI. XH) van één bragt vondt men den kit-

(c) Zie de befchryving van dat gedeelte van het Kabinet, dat betrekking heeft tot de Natuurlyke Hiftorie van den otter.