is toegevoegd aan uw favorieten.

De algemeene en byzondere natuurlyke historie, met de beschryving van des konings kabinet.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i6n DE NATUURLYKE HISTORIE,

tel vaft zaten. Deze lever woog twee groffen. Het galblaasje hadt de gedaante van een peer. De milt was lang, en woog vier greinen.

Het alvleefch maakte eenen boog, wiens bolrondheid naar voren ftont; hetzelve was veel dikker aan zyn linker eind, dan op het overige gedeelte vair zyne uitgeftrektheid.

De regter nier ftont ter helfte van haare lengte meer naar voren dan de i l-i bekken was zeer klein5 in de nier zat maar eene tepel, maar alle de zellftandigheden van dezelve waren zeer onderfcheiden.

Het onderft gedeelte van het zenuwagtig middelpunt des middelrifs hadt de gedaante van een klaverblad.

De regter long beftont uit vyf kwabben, waar van drie op eene rv voor malkanderen geplaatft waren; de agterfte, dat is te zeggen de derde, was de grootite, en de tweede was de kleinfte van driën; de beide andere kwabben zaten aan den wortel van de agterfte kwab vaft; de vierde, die voor de vylde geplaatft zat, was de kleinfte van allen, en de vyfde was tennaaftenby even groot als de tweede. De linker long beftont flegts uit eene enkele kwab. Het hart was byna rond, daar kwamen twee takken uit de bogt van de groote flagader te voorfchyn.

De tong was dik, daar liep eene voor in de lengte over het midden desvoorften deels, dat met zulke kleine tepeltjes bedekt was, dat men dezelve naauwlyklch gewaar wierdt; het agterft gedeelte was met zeer zwakke pvramidaale tepeltjes bezet,die agter over lagen,en zig zeer duidelyk vertoonden, ichoon zy zeer kort waren; daar zaten drie kelkklieren by den wortel der tong, eene, die de middelfte was, zat wat meer naar agteren dan de beide anderen.

Het verhemelte was met negen of tien vooren doorfneeden welker randeneene kromme lyn maakten, die holrond naar voren was; de vyf of zes eerften waren m het midden van hunne lengte door eene voor afgebrooken, die in de lengte over de tong liep. Het ftrotklapje was puntig. Daar waren geene onefr Henlieden op de herffenen, maar de agterherffenen geleeken naar die der meeste andere viervoetige dieren; de herffenen woogen twintig greinen, en de ag^ terherffenen vier-en-twintig, h

Het mannetje dat ten onderwerpe voor de befchryving der teeldeelen ge^ diend heelt, woog elf oneen en een gros. Hetzelve was agt duimen en een halven lang van het eind van den bek tot aan het begin van den ftaart

De tepels waren ten getale van agt, vier op elke zyde, eene op de borft en drie op den buik. r

Daar zat binnen in het roedehoofdje (A, fig. i, 2, en » />/. XXXIV\ een klem beentje (fig. 4) welks eind QA) plat was, rondagtig, fcherp aan da Kanten, en holrond van onderen; de mond van de pisbuis lag tegen die zyde aan; de bovenkant van het eind des beens was bolrond; daar zat op die andere zyde een kraakbeen m de gedaante van eenen flag van eene fchroef CA pg. p die zig naar de linkerzyde uitftrekte en om het roedehoofdje neerliep ' en die eene halve krul-lyn maakte, dit kraakbeen verlengde zig over de oi> derlte zyde van het roedehoofdje byna tot aan de inplanting van de voorhuid,.

ueroede {B} fig, 1 en 2) was plat op de. zyden; zy belloot de verlengiu*-