Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANTREKKING.

fehieduit hoorde van derzelver zwaarte, nwgneetkragt, elektriciteit, aandryving, of eenig ander heimelyk vermogen: derhalven is het de oorzaak niet die de Lighaamen tot eikanderen doet naderen, welke men door het woord Aantrekking wil betekenen; maar enkel de werking zelve van de aannadering.

Dat 'er zodasnige neigingen of hellingen in de Stoffelyke Wereld gevonden worden, duld g<.en tegenfpraak, en is voorden min oplettendften Befchouwerzigtbaar; ook is het niet minder zeker, dat veele verfchynzelen der Natuur daar van het voortbrengzel zyn.

De Aantrekking word doorgaans van de Wysgeeren tot vier foorten bepaald; naamelyk, n. Aantrekking van Aankleeving (cohafio); 2. EleÜriciteit; 3. Magneetkragt, en 4. Zwaartekragt.

De eerfte Aantrekking van Aankleeving, vindt byzonder plaats, ten aar zien van zamengeftelde Lighaamen, waar door zy onderling verbonden en aan een gehegt zyn. De Wetten en eigenfchappen deezer foort van Aantrekking, zyn: 1. dat dezelve zichtbaar en aller fterkstin dekleinfte Stofdeeltjes is te ontdekken; 2.dat dezelve weerkeerig werkzaam is, tusfehen deeze Stof deeltjes, of dat zy malkanderen wederzyds aantrekken en aangetrokken worden : 3. dat de kring van Aav.trekhing, ofwel om my duidelyker uit 'e drukken, deuitgeilrektheid van dit vermogen, grooter in de eene foort van Stofdeeltjes is, dan in de anderen; en wel het kleinfte in de buitenfte: 4. dat dit vermogen op den geringften afftand , in vaste Lighaamen niet is te bemerken , werkende, als 't ware tegenftrydig : 5. dat dit vermogen naauwkeurig evenredig moet zyn met de veelheid van de naby leggende oppervlaktens; of wel , dat de deelen welker oppervlaktens het grooifle zyn, het fterktst hegten: 6. moet dit vermogen verminderen , naar maate de quadraaten der afftanden verminderen, om dat men moet veronderftellen, dat eere rechtlynige richting voortkoomt: 7. dat, alwaar de kring der Aantrekking eindigt, atüaar eene te rug ftootende kragt begint; v/aar door de Deeltjes in plaats van malkanderen aan te trekken, van een gedreeven worden, en te rug ftooten: 8. dat door deeze kragt, de kleine deeltjes of droppels van eenig Vogt, tot eene klootronde gedaanS worden gebragt.

De beide eerfte oorzaaken van de opgenoemde Migenfchappen, zyn uit veele proefneemingen blykbaar; by voorbeeld, de fpoedige vereeniging van twee digt by elkander leggende droppels Water, Kwik enz. j de fterhe aankleeving van twee halve looden Ballen, welkers gladde zyden malkander raaken, als mede van vlak Glas en cryftalle Knoopen ; het opklimmen van water in haairfyne Builen; het ryzen van 't water aan de kantës van een glas, en in een hoopje zand, asfche, zuiker, fpons, en alle andere Lighaamen die wyde poriën

hebben. De derde Eigenfihap betoogd zich, door

de hegting of aankleeving van 't Water, aan Stoffen,

die door de Kwik droog gelaaten worden. De

vierde en vyfde Eigenfchappen worden getoond, door de wasfende iheede of hyperbolifche kromme lyn. voortgebragt door de oppervlakte van een opklimmend vogt, tusfehen twee platteftukken glas, die malkanderen nan «ene zydc- raaken. ■ De zesde Eigenfchap middagklaar zynde, behoeft geene beiooging. De zevende neemt men waar in het opryzen van den waasfem of d;imp van vogtige Lighaamen. —— De agtfle eindelyk, is klaarblykelyk, door een diopp.el water,, die.in hei zand valt..

AANTREKKING. 21

Door dit gegeevene verflag van de aankleennde Aantrekking, worden wy in ftaat gefteld, om eene voidoenende oplosfing van verfcheidene fraaije en verbaazende Verfchynzelen te'geeven; als i, om welke redenr de Deeltjes der Lighaamen zo vast aan malkanderen kleeven ; 2. waarom dat fommigen hard , anderen week; deezen vast, anderen vioeibaar; genen veerkragtig , en anderen zonder veerkragt zyn; dit alles ontftaat uit de verfchillende gedaantens der Deeltjes, en de grootere of kleindere graad van Aantrekking, welke daar aan is verknogt. Ingevolge dk grondbeginzel, kan men nafpooren, op welke wyze de Planten door de Vezels van derzelver Wortels de fappen inzuigen; insgelyks, het opklimmen der Sappen inde Plantgewasfen; ja, zelvs reden geeven, van de gant-

fche huishouding der Kruiden; Van hier daalt

het verfpreide licht af, ten aanzien van de verfchillende affc-heidingen der Vogten door de Klieren, en hunne wonderbaarlyke omloop door de haairfyne Buisjes. van hier de reden van het foldeeren en vergulden der Metaalen, benevens het fmelten of ontbinden

door middel van hitte; hier door kan men zich

ook een denkbeeld vormen, van de reden, en waarom de dampen door de hitte van de Zon of het Vuur uitwaasfemen; insgelyks verfchaft ons dit een be¬

grip van de werking der distillatie , filtratie , ontbinding, verteering, fublimaiie , precipitatie, kristalfcbieting, en de overige werkingen der Scheykonst; ■ ten laaiden kunnen wy door het vermogen der Aan.' trekking en Wcgftoming, reden geeven, van de wonderbaare verfchynzelen der onderaardfche Uitbarstingen, vuurbraakende Bergen, Aardbeevingen, heette Bronnen, fchaadelykeDampen, en verflikkende Uitwaasfefeemingen in de Mynen, enz.

De Aantrekking en Terugjlooting , verfchillen alleen daar in, dat de aantrekkende kragt, in het eerfte geval, de Lighaamen tot het aantrekkend Lighaam voert,, en in het laatfte, daarvan afdryft. In ieder geval worden de deelen onder malkanderen op dezelvde wyze bewoogen, door de aantrekkende, ele&rizeerende en magnetifche kragt.

2. De tweede foort van Aantrekking, is die van electriqne Lighaamen, als glas, barnfteen, zegellak, git enz Zie de eigenfchappen daar van, op het Artikel ELECTRICiTEIT.

3. Wat de hoedaanigheid van de derde foort van Aantrekking betreft, wyzen wy onze Leezers naar het Artikel MAGNEET.

4. De vierde foort, naamelyk die der Zwaarte-kragC-, word wel van de eerfte foort, nament'yk der Aankleeving, onderfcheiden; doch, al hetgeen beiden betreft, met een naauwkeurig oog ingezien hebbende, zal men waarfchynelyk bevinden, dat 'er geen andere serfcheidenheid tusfehen plaats vind, dan die van een Geheel, tot deszelvs Deelen; want, de zwaarte van groote Lighaamen, kan alleen het voortbrengzel zyn van de byzondere vermogens der magtgeevende deeltjes, die enkel door aanraaking, en flegts op eenen geringen afftand werken; dan, door hunne vereenigde vermo-per f, in groote veelheden te zaamen gebragt, brengen zy eene onbegrypelyke kragt voort, waar van de werking zich tot een verren afftand uitbreid, ingericht naar" de grootte-der Lighaamen.

De Aantrekking der Zwanrtekrcgt werkt niet eveneens, op verfchillende afftanden van de oppervlakte G 3- den

Sluiten