is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

102 ADAMITEN.

den , en de onbedagten in hunne ftrikken vingen. Het onderzoek, op hun gedaan, was , egter, zo naauw en wel aangelegd, dat weinigen der Leetaaren en Hoofden van deezen Geestdryvenden Aanhang de handen der Inquifiteuren ontkwamen. Wanneer de oorlog tu«fchen de Husfiten en de voorftanders van den Roomfchen Stoel, in den jaare 1418, in Bohemen uitborst, begaf een ; hoop deezer Geestdry Jeren, onder het geleide van zekeren Joannes, zichderwaards, enhieldt heimelyke byéénkomften, eerst te Praag, en vervolgens op verfcheidene plaatzen; van waar zy eindelyk na ze. ker Eiland vertrokken , op 't welke zy minder blootgefield waren aan het opfpeurend oog hunner vyanden. Het was, een der hoofdftellingen van deezen Aanhang, dat de tedere aandoeningen der natuure, met de zedigheid en fchaamte, welke dezelve doorgaans vergezellen, duidelyke kentekens waren van eene inblyvende verdorvenheid, en een bewys opleverde, dat het gemoed niet genoegzaam gezuiverd of gelykvormig gemaakt was aan de Godlyke natuur , waar uit het zynen oorfprong ontleende. Deeze Geestdryvers noemden alleen de zodaanigen volmaakt, en merkten ze aan als vereenigd met het Opperweezen, die, zonder eenige aanritzeling , de naakte lighaamen der fexe konden befchouwen, en die, in navolging van onze eerfte Ouderen vóór den val, geheel naakt gingen, en in die geftalte gemeenzaam met Mannen en Vrouwen verkeerden, zonder tot vleefchlyke lusten te worden opgewekt. Hierom verfcheenen de Begharden, (van de Bohemers, door eene verandering in de uitfpraak van dien naam, Picarden geheeten,) in hunne Godsdienflige vergaderingen, tot het verrigten van den eerdienst, moeder naakt. Zy hadden fteeds eenen grondregel in den mond, die, in de daad, zeer wel ftrookte met den aart van den Godsdienst, welken zy beleeden, naamlyk, dat zy niet vry waren, (dat wil zeggen, niet genoegzaam van de banden des lighaams ontflagen,) die kleederen gebruikten, inzonderheid zulk flag van kleederen als de dyen en de fchaamdeélen bedekten, 't Kon niet wel anders weezen, of dusdaanige fchriklyke ftellingen, bragten deezen onzinnigen Aanhang in welverdiende wanachting; en fchoon 'er, in hunne Godsdienstige byéénkomften, niets ftrydig met de regelen van deugd voorviel, waren zy in 't algemeen verdagt van de fchandelykfte ontuchtigheden en geilfte bedryven. Ziska, de ftrenge

Overfte det Husfiten, floeg geloof aan deeze vermoedens , en de fchandelyke opfpraak, welke, den Broederen en Zusteren van den vryen Geest naging; en, in het jaar 1431 op deezen elendigen Aanhang aanvallende, doodde hy 'er eenigen met den zwaarde, en veroordeelde de rest om verbrand te worden : welke yslyke Itraffe zy met de grootfte ftandvastigheid uitftonden , en met verfmaading van den dood, eigen aan hunnen

Aanhang, die bykans allen geloof te bovengaat.

Onder de verfchillende benaamingen , by welke deeze buitenfpoorige Dweepers bekend ftonden, was die der Adamiten hun gegeeven, van wegen de fterke drift, die zy betoonden, om den ftaat der onnozelheid, in weike onze eerfte Ouders gefchaapen waren , na te volgen. De fmaadnaam van Begharden of Picarden, eerst byzonder eigen aan deezen kleinen Aanhang, van welken wy thands fpreeken, werd naderhand aan de Husfiten gegeeven, en aan al de Bohemers, die zich tegen de geweldenary der Roemfche Kerke aankanten, Zy

ADAMS-APPEL.

werden door hunne vyanden, en ook in 't algemeen, Picardfiche Broeders of Picardisten gehetten.

A D f\ MS-A PP EL , is denaam var; een Boom onder het geflagt der Citroenboomen behoorende, zy draagt ook by veele Schryvers de naam van Pompelmoes. Pumpelmus. Meist. Itin. 48. Merian Surin. Tab. 29. Herm,. Lugdb. 405. Burman. Flor. Zyl. 39. Flor. Ind. 39. Limo decumanus. Rumph. Amb. II. p. 96. Tab. 24, fig. 2. Malus aurantia F. rotunao maximo &c. H. Sloan. Jam. 21. Hist. i.p. 41. Tab. 12.. fig. 2 , 3. Citrus aurantium decumar.a, Linn. Spec. Plant. II. p. nor. Citrus petiolis alatis, Foliis obtufis emarginatis. Linn. Syst. Nat. XII.

Plaats en Befichryving. Deeze Boom groeit op Ceilon, Java en elders in Oostindie, ook in de Westindien. Men wil, dat deeze de Boom der Kennisfe van goed en kwaad, in 'tParadys, zoude geweest zyn, en deswegen onder den naam van Adams-AppelbyRxii' hinus voorgefteld zyn; 't welk door 't verhaal van den Kruidkundigen Theophrastüs zoude bevestigd worden: dat naamlyk de Gymnofophisten, of naakt loopende Wyzen , dat is deBrachmannen, in Oostindie> niet anders tot fpyze gebruikten dan eene dergelyke Vrugt. In China groeit een vrugt die de naam van Venen draagt, naar de Limoenboomen gelykende, en tot deeze foort zoude behooren; dezelve draagt een Vrugt van grootte als een Menfcben-hoofd, met een Bast van kleur als die der Oranje-Appelen , en een Vleefch, naar niet volkomen rype Druiven fmaakende, die aldaar, binnenshuis opgehangen , een jaar duurt, werdende het fap daar uitgedrukt tot een verkwikkende drank.

RuMPHius zegt, dat 'er vier foorten van deeze Boom zyn: de eerfte heeft Vrugten als gemeld is; de tweede draagt ze wat kleiner; de derde foort wat kleiner als een vuist, maar de vierde foort heeft zyne Vrugten van grootte als de lyvigfte Pompoenen , groeiiende by vier of vyven aan een Steel, en dus een ongemeen groote Tros uitmaakende, de Schil is ruim een duim dik, bitter van fmaak en zwavelachtig: bet Vleefch wit, fappiger en zoeter dan dat van de gemeene Pompelmoezen, bykans zonier Korrels. In deeze foort gebeurt het dikwils, dat zich binnen de Appel een klein Adams-Appeltje of Pompeimoesje bevindt, van grootte als een gefchilde Oranje Appel, en van het omliggende vleefch door een wollig vliesje afgefcheiden, weshalven men ze in deeze gefteldheid bevrugte Adams-Appelen of Pompelmoezen noemd. Dit heeft meest plaats in de genen die op Banda groeijen.

Gelyk reeds is aangemerkt* zyn 'er ook Pompelmoezen in de Westindien, en Juffr. Merian geeft daar van de afbeelding in haar Surinaamfch Infiecten werk; zeggende dat de Boomen 'er zo hoog als Appelboomen groeijen , hangende zo vol Vrugten, dat de Takken veeltyds gevaar loopen om daar door te breeken. De Schil en het Vleefch is, gelyk zy wel aanmerkt harder dan in de Oranje-Appelen, het Vleefch minder zuur dan dat der Citroenen, doch de fchil zeer bitter.

Kweeking. De Pompelmoes-Boomen , willen in Europa, zelvs in de Nederlanden , wanneer menze in Bakken plant en in Oranjehuizen koestert, zeerwel voort; doch het Vleefch van de hier ter lande groeijende Vrugten is bitter, en heeft weining fap, trekkende naar het roode. In de vaste grond geplant, en dan

's win-