is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■226 AMETHYSTKRUID.

Deeze Amelhyften die vry gemeener zyn dan deOortindifche, zyn violetkleurig, en worden derhalven in Frankryk, Criftal violet geheeten. Deeze Steenen komen byna in alle de deelen van Europa, droezig voor, doch inzonderheid in de Agaatkogels te Oberftein, op de grenzen van de Paltz en Tweebrugge. Men toont 'er zelvs onder de producten van den Vefuvius. Derzelver Kryftallen zyn fomtyds tamelyk groot, fomtyds bleeker, fomtyds zo hoog violetgekleurd.dat zydefchoonfte Orientaalfche tarten : maar deeze vallen meest wat klein. Ook zien zy wel uit den geelen, en fchynen fomtyds als met Topaas-Kryftal doormengd te zyn. Zeldzaam ziet men 'er lange Staaven, en, zo zy 'er zyn, dan vallen zy altoos bleek. Nooit heb ik een lang Kryftal gezien, zegt de Heer Bruckmann, dat een fchoone donkere Amethystkleur hadt. Hy bezat een bladerig Amethystkleurig Kryftal, met een tamelyk lan. gen Kantzuil en twee Pieramyden, waar in een druppeltje water zigtbaar was, uit de Therefia-Schagt te Schemnits in Neder- Hongari'n.

Dikwils komen deeze Kryftallen in ander Gefteente voor. De Heer Houttuyn bezit een groot en zeer fchoon gepolyftftuk, ten deele Jaspis, ten deele Kwarts, ten deele Amethyst, van Doblits in Bohemen. Somtyds groeijen zy by beurtlingfe laagen met witte Kwarts, of hebben eene trapswyze verbleeking; 't welk misfchien ontftaat uit de vlugheid der kleurende Stoffe. De Heer Sage was van denkbeeld, dat de Amethyst zyne kleur hadt van met Kobalt vereenigde Zeezout - Zuuren; doch geeft daar van geen bewys. Ook vindt men zeldzaam Amethyften by Kobalt. De bleeke of half gekleurde ftukken noemen de Franfchen Prime d' Amethyfte of Moer van Amethyst; zynde een Amethy stkleurige Kwarts.

AMETHYST KOGEL, zie KERNSTEENEN, n. 3.

AMETHYSTKRUID , in het Latyn Amethyftea, is de naam van een Planten. Geflacht, tot de Tweemannige Kruiden of Dianiria te huis gebragt. De Kenmerken zyn, een vyfdeelige Bloem, die de onderfte Slip meer uitgebreid heeft dan de anderen, de Meeldraadjes digt by elkander: de Kelk byna klokvormigen vier bultige Zaaden: naar alle waarfchynlykheid geeft de kleur der Bloemen de naam aan dit Geflacht, waar van 'er maar een bekende Soort is.

Blaauw Amethystkruid, in 't Latyn Amethyftea coerulea. Amethyftea. Linn. Hort. Upf. 9. Am. Acad. I. p. 386. Amethyftinamontana eretla. Amm. Ruth. 54 Hall. AB. Upf. 174a- P-5i- ĥ 2.

Dit Kruidgewas is in Siberië door Mesierschmid geTonden, die dezelve genoemd heeft Amethyftina, op de Bergen groeiende, met een opgeregte Steng, enz. Het heeft de Steng ongevaar een voet hoog, vierkant en glad: de Bladen tegen elkander over of gepaard, eyrond en glad, diep zaagswyze getand, in drieën ge. deeld , met lancetvormige Kwabben. Uit de onderfte Oxelen komen Takjes voort, uit de bovenden gegaffelde Bloemfteeltjes, die zeven Bloemen dragen, welhe blaauwagti? zyn , in Kelken van dergelyke kleur, met twee kleine Borfteltjes omgeven. Zy hebben, volgens nadere waarneemingen van den Heer Haller,de Bovenlip in tweeën, de Onderlip in drieën gedeeld; *t welk dit Geflacht voornaamelyk van dat der Wolftpoot onderfcheidt.

AMFfOKN, zie MAANKOPPEN n. 7.

AMIANTH, in 't Latyn Amianthus. Deeze naam

AMIANTH.

was voorheen maar alleen eigen aan het Bergvlafth, bet welk zich door zyne taaije buigzame en evenwylige Draaden of Vezelen van alle overige Steenen onderfcheidt. Men gaf dien naderhand ook aan eenige ligte fteenfoorten , van een Vezelig geweefzel. De * volgende Mineralogisten vonden goed eene fchifting daar in te maaken , en die Steenen, welke taaye buigzaame Draaden hadden, op 't water dryvende, AmU anih; de genen die harde broofche Draaden hadden, en in 't water zonken, Asbest te noemen. Anderen gaven aan de genen, die lange evenwydige Vezels hadden, den eerften, en aan de zodaanigen, wier Vezels kort en verward waren, den laatften naam. Maar, aangezien het woord Asbest op de onverbrandbaarheid ziet, die de eene zo wel als de andere eigen is, zo kan die fchifting naauwlyks plaats hebben, en hierom heeft ook de Heer Wallerius deeze beide benaamingen, als gelyk van betekenis voorgefteld. Inde befchryving, egter, heeft zyn Ed. de gewoone manier omgekeerd, noemende de langdraadige Asbest, de kortdraadige of fchorfige Amianth. De Heer Linnzeus, hadt bevoorens daar van twee Gedachten gemaakt, en deeze,. fteenige lighaamen, even als de Hoogleeraar Vogel, afzonderlyk befchreeven; doch thands befchryft hy dezeiven allemaal onder éénen Hoofdnaam Amianthus, wiens toepasfing, als onbetlekt betekenende, nic-t zo biykbaar is.

De meeste foorten zyn zeer ligt, en altemaal zo zagt, dat zy aan 't Staalflag niet vonken, maar in 't vuur worden zy allen harder, broofeher en fommigen zo hard, dat zy Vuur geeven. Zuiver zynde, kunnen de meesten, ook door den fterkften trap van Vuur, niet tot vloeijing gebragt worden, zonder het bykomen van Borax, Loogzout, Vloei-Spaath of Loodglans: maar dan fmelten zy ligt tot een bruine of zwarte glazige ftoffe. Op de breuk zyn zy allen dof en oneffen. De zelvftandigheid is Vezelig; doch de Draaden loopen fomtyds verward door malkander, zo dat zy als een fchors maaken. Nooit vindt men 'er Verfteeningen in; maar de Asbest, komt zelvs als verfteenl voor, en in Jaspis of andere Steenen ingelyfd. Verfcheiderlei Ertzen enZwavelkies heeft men 'er in aangetroffen. Nimmer maaken zy, op zich zelv', Bergen of regelmatige Aderen uit, maar komen of ingefprengd , of netswyze, of by ftrooken, in allerlei Gefteente, zelvs in Spekfteen, Talk, Glimmer, ja ook in Steenmerg en Klei, voor.

Dat de Amianthen door Vuur zouden gebooren zyn , is niet zeer geloofbaar. Want zodaanig Vuur zou men onderftellen moeten kragtiger te zyn geweest dan ons Vuur, 't welk niettemin dezeiven harder maakt. Ten anderen toont de onrype Asbest, zogenaamd, dat 'er nog een groeijing in deeze Steenfoort plaats hebbe. Misfchien heeft de Oirfprong deezer ftoffe eenige overeenkomst met die van Schimmel en dergelyken, of met het begroeizel der kalkmuuren. En, dat 'er eenige kalkagtigheid in plaats hebbe, blykt uit derzelver melkagtige ontbinding in Water, en de aandoening, welke zy van zuure Geesten hebben, waar door fommigen worden opgelost. Die kalkagtige Aarie, welke men 'erdoor wasfehingen van krygt, is van eene Gipsagtige natuur. Veelen hebben met de Hr. Linn^eus vastgefteld, dat derzelver voornaamlle grondftoffe kleiagtig zy. Sommigen hebben ze aangemerkt als een Zout van kleyigen oorfprong. De proefneemingen van

Marck-