Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AMPHIBIOLITHEN.

ter van Chardin gemeld, zal ook maar eene Natuuripeeling zyn; want in Alabaster komen geene Verfteemngen voor. Het is ook vreemd, dat zodaanige weeke Lighaamen in Verfteening zouden overgaan, behoudende baare voorige gedaante.

Aangaande de Skeletten van Krokodillen, die door den Heer Linnjeus tot het Haagdisfen-Geflacht betrokken zyn, is meer zekerheid. Men twyfelt geenzins aan dat van Spener, uit de Thuringifche Kopergroeven, wel vyftig ellen diep gehaald, op zwarten Leyfteen, in de Berlynfiche Verhandelingen afgebeeld. De Krokodil heeft den Kop geheel onbefchadigd en legt op den fteen met eenen opgefperden Bek. Een ander Krokodil len-Geraamte, op dergelyken fteen, in het Kabinet van Linck, te Leipzig , vertoonde de geheele Ruggegraat met eenige Ribben, als ook het onderfte van den Kop en drie Pooten, met haare Klaauwen. Een dergelyk was, in verharde blaauwe Kley, te Elftron in Engeland, door den Heer Stukely gevonden. Ook wordt, by d'ARGENviiXE, van enkelde Beenderen of gedeelten daar van, gefprooken, en misfchien hebben die ftukken Beens, welken de fchrandere Baker befchreef en in afbeelding bragt, een dergelyke afkomst

4. Verfteende Slang, in 't Latyn Amphibiolithus Serpentis. Amphibiolithus totalis Serpentis. Linn. Syst. Nat. XII. Sp. 4. Gesn. Petr. 65- Wall. Min. 549. Walch. Verft. Zaaken. II. D. 2. St. bl. 377-

Van Verfteende Slangen hebben onder den naam van Ophiolithen, veele Autheuren gewag gemaakt; doch het fchynt dat de meesten of Wormhuizen of gedeelten van Ammons-Hoorens of iets anders zyn geweest. Toevallige Steenvormingen hebben Slangenkoppen, of iets dergelyks, kunnen voordellen. Zodaanig is het ook met de Verfteende Slangen, die in de Ma?gen van Hertebeesten zouden gevonden zyn; waar over veel is gefchreeven, vid. Jon. Dan. Major de Cancris & Scrpentibus petrafaSis. Jente 1664. in Svo. Item Serpens in Stomacho Cervi petrafatius. Sam. Reisei. , Eph. Nat. Cur. 1670. Ja fommigen hebben zich d >or Konst gemafte Slangetjes in de hand laaten floppen. De Heer Besner, evenwel, verhaalt, dat hy in zyn Verzameling een Verfteende Slang, op Switzerfchen Leydeen, van Claris, hebbe. Ook bezat hy een afdrukzel van dat Exemplaar, 't welk Scheuchzer, als een gedenkteken van den Zondvloed, in afbeelding hadt vertoont. De Heer Davila hadt in zyn Kabinet een Leydeen, met het verheven afdrukzel van een kruipend Dier, 't welk eene Blindflang fcheen te zyn, in 't Geraamte, ën nog een Doublet van een dergelyk Schepzel, dat minder duidelyk was, Catal. raifonné. Tom. II. p. 222. Op het geloof van deeze kundige Natuurbefchouwers, moet men zulks aanneemen. Ook heb ik een afdrukzel of indrukze), zegt de Heer Houttuyn, in glimmerige Zandfteen, dat naauwlyks iets anders wezen kan, dan een opgerold Slangetje; alzo zelvs de Gruaten zichtbaar zvn. Nit Hist. III. Deel, I. St. bl. 233

5. Verfle'nde Zwemmers, in 't Latyn Amphibiolithus Nantis. Amphibiolithus totalis Nantis. Linn, Syst. Nat. XH Gen. 38. Sp. s.

Van die zwemmende Schepzelen, gemeenlyk ondei de Visfchen geteld, doch welken de Heer Linneus te regt, wegens het Kieuwen Geftel, daar van afge zonderd heeft; (gelyk fommigen ze ook Kraakbeen Visfchen geheeten hebben,) komen insgelyks Verfteenin VUL Deel,

AMPHIBIOLITHEN. 233

gin voor. Dus vindt men Afdrukzels van Rochen in Bohème, en by Boll in 't Wurtembergfe, op zwarten Leyfteen. Een Hoornvifch heeft men ook, zo wel als een Naaldvifchje op dergelyken fteen afgedrukt gevonden. Het Lighaam van een jonge Steur, wil de Heer Gmelin maaken van dat afdrukzel op witte Ley, 't welke de vermaarde Knorr, die bet in afbeelding gebragt heeft, een Ilornvifih, dat is een Geep, noemt. De Heer Walch was hem daar in voorgegaan; doch bet fchynt my weinig te hebben, dat naar een Steur gelykt.

6. Haayen-Tanden, in 't Latyn Amphibiolithus Glosfopetrce. Amphibiolithus Dentis Squali. Linn. Syst, Nat, XII. Gen. 38-Sp. 6. Schreb. Lith. ic8. Ichthyolithi Dentium acutorum Piscium. Wall. Min. p. 554- Glosfopetra. Olear. Mus. T zi.Butn. DU. 242. T. 24. Lerch. OryB. 39. Vog. Min. 211. Wolf. Hasf. T. 21. Glosfopetra anceps ferrata. Gesn. fig. 162. f. A. B. Worm. Muf. 67. 5- 4. Bocc. Obferv. 314. Glosfopetra anceps integerrima , reüa incurva , fubanceps &c. Schreber ut fupra. Walch Verft. Zaaken II. D. 2. St. bl. 395.

Dit is een der meest voorkomende Verfteeningen, waar van men 't oirfpronkelyke een langen tyd verkeer delyk in Slangen of Adders-Tongen, naar welken zy eenigermaate zweemen, gefteld, en 'er daarom, den naam Glosfopetra, dien zy nog heden voeren, (dat is Tong fteenen,) aan gegeeven heeft. Beter noemt men ze thands Odontopetrat, dat is Tand-Steenen of Lamiodontes en Acanthiodontes, dat is Haaye Tanden; 't welk zy wezentlyk zyn; hoewel 'er een aanmerkelyk verfchil in plaats heeft.

Het zyn wezentlyke Verfteeningen, die van buiten nog het verglaasd van Tanden hebben, maar den Wortel ruuw en veel al van den aart van Zandfteen. Haar figuur is driehoekig , platagtig en van verfchillende grootte, dat is van drie of vier duimen tot minder dan een kwartier duims langte. De grootften, zegt Vogel, zyn onderaan den voet tot vier duimen breed, en meer dan een half pond zwaar. Men vindtze, volgens Scilla , fomtyds, doch zeer zelden, van grootte als een Menfchentand.

Behalve het Eiland Maltha, van waar de voornaamften afkomftig zyn, vallen zy ook in verfcheide deelen van Italië, by Verona en Vicenza, als mede in Duitfchland in het Wortenbergfche , by Alzey in de Paltz, by Aken, by Luneburg, in het Holfteinjche, in het Graavfchap Mansfeld, in Hesfenland, in Saxen, voornaamelyk by Querfurt; in de Krain, in Silefie, in Pruisfen, in Engeland en Schotland, in Frankryk en Switzerland. In 't graaven van een Vaarc, by Eybergen in Gelderland, zeven uuren boven Zutphen, zyn voor eenige jaaren verfcheide zodaanigen, tien voeten diep in de grond gevonden.

Die met regte zydkanten, gelyk toeloopende naar de punt, zo dat zy een byna gelykzydigen driehoek maaken, op de kanten zaagswyze gekarteld met fcherpe Puntjes, tevens de grootften en van eene geelagïige bleek bruine kleur, zyn de eigentlyke zogenaamde Adders-Tongen van Maltha, die dooreen Wonderwerk van den Apostel Paulus verfteend zouden zyn. Ik heb 'er één zegt de Heer Houttuyn, van meer dan drte duimen langte en dus ten minste van grootte, als die, welke Scilla op zyn zesde plaat af beeldt, aan beide

■ kanten even regt, met zeer fyne Tandjes. Uit deeze,

■ die aan de Punt een weinig afgebroken is, blykt, dat

■ zy wel wezentlyk verfteend zyn. Ik heb 'er ook klei-

G g ners

Sluiten