Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

234 AMPHIBIOLITHEN.

nere van de zelvde kleur en hoedaanigheid, Deeze allen moesten afkomftig zyn van den Jonas.Haay, die dergelyke Tanden heeft, op ryën geplaatst, als uit de by hem daar nevensgaande afbeelding blykt. En, alzo deeze Haayen tot een verbaazende grootte vallen; (zodaanig dat zy een Menfch, ja wel een Paard kunnen inflokken, daarom ook wel Paarde Haay genaamd: ) is het niet tegenftrydig, dat de grootften van die Maltheefche gelykzydige, bruin geelagtig Vefteende Tanden, van Haayen afkomftig kunnen zyn. Men behoeftze derhalve, met Kundmann, niet aan andere Zeedieren toe te fchryven.

Die foort van Tanden is nogthands eenige verandering onderhevig, gelyk uit de vyfde plaat van Scilla blykt, alwaar zy Verfteend een weinig kleiner voorkomen, met de eene kant aanmerkelyk hol, de andere verhevenrond en dus de beide kanten kromlynig en de punt eenigermaate Sikkelagtig. De eene beeft ook aan den Wortel twee Uitftekjes wederzyds, 't welk kleine Tandjes zyn, op de kanten naauwlyks gekarteld. Mooglyk verfchillen de Tanden dus in die zelvde foort van Haayen. Immers Scilla ftelt zodaanige Sikkelachtige Verfteende Tanden, insgelyks op Maltha gevonden, by elkander in een Gefteente zittende, op zyne derde Plaat voor.

Een ander flag van Verfteende Tanden, zeer veel op dat Eiland uitgegraaven wordende, volgens dien Autheur, is kamagtig, met breede dikke Tandjes, welke zeer biykbaar afkomftig zyn van de zogenaamde Vacca of Zee-Koe, waarfchynlyk de ruuwe Haay, die gemeenlyk Galeus of Zee-Hond heet. Hy beeldt een brok daar van op zyne vierde, en de natuurlyke Tanden, van veelerlei figuur, op zyne eerfte plaat af. De geheele Kop van dien Haay wordt vervolgens, door hem , met het Tanden-geftel daar in, op de zeven en twintigfte Plaat vertoond. Even zo is de gaapende fmoel van den voorgemelden Jonas-Haay, (hoewel verkeerdelyk onder den naam van Zee-Hond,) in plaat gebragt, by Boccone; waar uit men de overeenkomst der gedagte groote Verfteende Tanden met die van dit Monfter ziet. Van de anderen, die Kamswyze kanten hebben, vindt men een Plaat voorlyker de Afbeelding, met het byfchrift van Verfteende Tanden, Glos. Jopetrcs genaamd: en daar nevens de Kaaken van een foort van Zee-Hond; dat is van den voorgemelden ZeeHond. Hier in bevinden zich drie of vier ryën van dergelyke Tanden. Waarfchynlyk heeft men deeze, om dat zy minder fraai zyn en zeer onregelmaatig van figuur, minder in waarde gehouden, hoe menigvuldig zy ook voorkomen op Maltha; maar het is zonderling, dat men ze by de voornaamfte Autheuren, gelyk Walch en Wallerius, zelvs niet gemeld vindt, in de optelling der verfcheidenheden van Glosfopetren.

De Haayen Tanden, welke van onderen meer vorkagtig, naar boven fmaller en ronder, ja fomtyds byna driekantig zyn , op de kanten effen, hebbende een blaauw- of zwartagtige kleur; hoedaanigen in Duitfchland, als ook op de voorgemelde plaats in ons land, in menigte gevonden zyn, mag men DuUfche noemen. Immers de kleur, die naar 't zwarte of afchgraauwe trekt, onderfcheidt voornaamelyk de Luneburgfche zo LèibNits aanmerkt; behalve dat zy ook kleiner dan de Maltheefche zyn, en niet in fteen zitten, maar in aarde. Diel van Reiskius, welke hy voor een Lunenburgfxhe afbeeldt, is nochtands by de vier duimen en dus

AMPHITHEATER.

zo lang als de grootfte Maltheefehen. Dan ftelt hy 'er nog eenen onder den naam van Gandavenfts voor, welke derhalve van Gend zou fchynen afkomftig te zyn. Die in ons land vallen, zyn doorgaans ongevaar een duim lang, behalve den Wortel, en van gezegde kleur. Ik hebt zegt de Heer Houttuyn, verfcheidene vari verfchillende figuur, en eene geelagtig bruin in kryt van den Oever der Theems in Engeland. Deeze nu zyn zekerlyk van den Bonten of Stern - Haay, die niet zelden aan onze Kusten voorkomt: want met deezen hebben zy, volgens de eerfte Plaat van Scilla, veel meer overeenkomst, dan met die van den Kruis-Haay, op zyne laatfte Plaat in afbeelding gebragt, hoedaanigen 'er, zo hy zegt, ook veel Verfteend op Maltha, voorkomen.

In hoe verre van deeze laatften die genen verfchillende zyn , welken men wegens de langwerpige Priemswyze geftalte Vogeltongen noemt, weet ik niet. Daar komen onder dezeiven genoeg voor, die dergelyke gedaante hebben, en aangezien de Ouden deeze zo wel als de voorgaanden, Ophioglosfa genoemd hebben zullen zy waarfchynlyk ook tot de Haayen-Tanden behooren. Immers het zullen deeze zyn, welken Schreber Spilronde regte geftreepte driedeeiige of Elsvormige geflreepte noemt: want, hoewel de meesten derzelven glad zyn, vindt men 'er doch die fyne ftreepen hebhen, zegt Walch van deeze Oruithoglosfce; en de aangehaalde van Bourguüt wordt een Glosfopetra genoemd, tot welken ook die aan den Wortel puntig zyn, naar een Piekyzer gelykende, behooren. Zie Bourcuet Petrifications. Tab. LVI. fig. 391, 393.

Zo zyn dan de groote, driehoekige0, Verfteende Tanden of Glosfopetren , naar alle waarfchynlykheid van den Jonas- of Paarden - Haay: de driehoekige met effene kanten van den Schop-Haay of Kruis-Haay • de Kamswys getande, platte van ongelyke figuur, van den Zee-Hond, en de langwerpige Vogeltongagtige effenkantige van den Bonten- of Stern-Haay. Dewyl 'er meer verfchillende foorten van Haayen zyn, zou een naauwkeurige vergelyking van aller derzelver Tanden, misfchien, nog nader licht geven. Daar komen by de Autheuren .ook Kegelagtige voor, of Pieramiedaale, genaamd Ctntchtyodontes, welke klein zyn en of regt of krom, fpits of ftomp gepunt. Deeze kunnen van Dolphynen en andere getande Visfchen, gelyk de Zee - Braafemr , tot het Geflacht der Vifch- Verfleeningen behoorende, afkomftig zyn. Mooglyk zyn die ruitagtige of fcheef vierkante ftukken, met afgeronde hoeken, plat, glanzig, bruin of zwartagtig, naar Peultjes gelykende, welken Luid deswegen Siliquastra noemt, tot de Kiezen of Kaaken van eenigen Vifch te betrekken.

AMPHITHEATER. Dit woord is famengefteld van *f«p), en van Theater; en Jheater is afkom¬

ftig van (sxeft*,, befchouwen, aanfichouwen; dus betekend Amphitheater eigentlyk, eene plaats daar de Aanfchouwers kringswyze geplaatst, alle even ghed konnen zien. Ook noemden het de Latynen Viforium.

Gelyk het Pantheon het ongefchondenst overblyfzel Ier Oudheid in Rome is, zo is het Amphitheater van Vespasianus het verbaazendfte. 't Zelve werd voltooid loor zyn Zoon Titus, en kreeg den naam van Colosreum, naderhand verbasterd in Ctlifieum, uit hoofde van het reusagtig Standbeeld van Apollo, 'er voor geplaatst. Dit groot gevaarte was gebouwd van zeer

duur-

Sluiten