is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44© BEGUINEN.

lyke bezittingen en bezigheden afftand doende, noemde het alle deezen Beghards, of, indien het Vrouwen waren Beghutten, zonder eens de verfcheidenheid van gevoelens en ftelzels in aanmerking te neemen, waar door zy van elkander onderfcheiden waren. De aanhang der zogenoemde Apostels, de ftrenge Franciskaanen, de Broeders van den Vryen Geest, alle deezen omhelsden de flordige leevenswyze van Bedelaary ; en fchoon 'er niet alleen een wyd verfchil was tusfehen deeze Ordens, maar zelvs recht itrydige beginzels en gewoonten onder haar plaats hadden, werden zy van de Duitfchers, zonder onderfcheid Beghards geheeten, uit hoofde van de flordige leevenswyze, van hun alien aangenoomen. Trouwens hier over hebbe men zich niet te verwonderen; het Character, aan hun allen eigen, liepeenen iegelyk in 't oog: terwylde Gevoelens en Stelregels, waar door zy onderfcheiden waren, voor de menigte verborgen bleeven.

Doch het woord Beghard of Beguin kreeg eene tweede en nieuwe betekenis in deeze Eeuwe, waar in het genomen werd, gelyk wy reeds hebben aangemerkt,om een perfoon aan te duiden, die God dikwils hadt, en loven anderen uitmuntte door eene buitengewoone Vertooning van Godvrugtigheid. De kragt van dit woord, in zyne nieuwe betekenis opgevat, is dezelvde als die van het woord Piëtist, of Methodist, eene benaaming, aan eenen zekeren Aanhang van Geestdryvers in Engeland, gegeeven. Hierom werden dezulken, die van de leevenswyze, by hunne Landgenooten en Medeburgers gebruikelyk, afweeken, en zich door de zedigheid en deftigheid van hun gelaat, en de ftrengheid hunner Zeden van anderen onderfcheidden in Du:tschland, begreepen onder den aigemeenen naam van Begharden en Begutten, en in Frankryk, onder dien van Beguins en Beguines. Het gebruik van deeze woorden was, inden beginne zo uitgeftrekt, dat ze, gelyk wy met veele voorbeelden zouden kunnen toonen, zelv' aan de Monnikken wierden gegeeven; doch, in vervolg van tyd, maakte men een min uitgeftrekt gebruik van deeze naamen, en werden ze alleen gegeeven aan eene foort van Tusfchen-Orden tusfehen de Monnikken en Burgers, die naar de eerften geleek in leevenswyze, zonder evenwel derzelver naam aan te neemen, of zich tot de pligien, op hun berustende, te verbinden. Dus werden de Tertiarisfen, of halve Monnikken van de Dominikaanen, Franciskaanen, en, in 't algemeen van alle Godsdienflige Ordens, Begharden genoemd. Want fchoon zy als Leeken en als Burgers, tot het Burgerlyke Lighaam behoorden, nogthands onderfcheidden zy zich door hun Monniksleeven, en door hunne belydenis van eene ongemeene Godsvrugt en Heiligheid van Zeden. De Broederfchap der Weevers , de Broeders van den H. Alexius, de Navolgers van Gerïukd den grooten, met één woord, allen , die een ongemeene maate van Heiligheid en Godsdienftigheid vertoonden , werden Begharden geheeten, fchoon zy zich zelve door eene eerlyke naarftigheid van de noodwendigheden deezes leevens verzorgden, zonder hunne toevlugt te neemen tot het flordig Bedel-bedryf.

De naamen Begharden, Begutten, Beguins en Beguinen zyn, derhalven, wanneer wy derzelver oirfprong gadeflaan, eerder van eene eerlyke dan eene verachte betekenisfe ; en als zodaanig worden zy vermeld in verfcheide Oude Befcheiden en Gedenkflukken, byzonderlyk in het Testament van St. Looüwïk , Koning van

BEGUINEN.

Frankryk. Doch in vervolg van tyd verlooren deeze woorden, gelyk dikwils gebeurt, allengskens, hunne oirfpronglyke betekenis, en werden merkteekens van eerloosheid en verachtinge. Want, onder deeze Godsdienflige Bedelaars en deeze Heilige Voorwenders van buitengemeene Heiligheid , waren 'er veelen , wier Godsvrugt niets anders was dan het alleruitzinnigfle Bygeloof; veelen waren 'er ook onder wier geflrenge Godsdienftigheid gepaard ging met gevoelens van een verderflyken aart, en geheel en al ftrydig met de Leer der Kerke; en ook ('c geen nog affchuwelyker is,) veeIe listige Huichelaars, die, onder het masker van Godsdienst, de allerverfoeielykfte beginzels verborgen, en de gruwelykfte misdaaden pleegden. Deezen waren de Uitzinnigen en Guiten, die den naam van Begharden in verachting bragten, en denzelven te gelyk eerloos en belachgelyk maakten; invoegen dat dezelve al* leen gebruikt werd om Weetnieten, Ketters of Huiche« laars aan te duiden Het zelvde lot wedervoer naderhand het woord Lolharden, waar van wy opdat Artykel zullen fpreeken, 't welk in verachting geraakte, door de perfoonen , die hunre Ongerechtigheid en Snoodheid onder dien fchoonfchynenden naam bedekten.

Men moet deeze Begharden en Beguinen die gelyk wy gezien hebben, hun oirfprong ontleenden vaneen ftrengen tak der Franciskaanen, niet verwarren met de Begynen, die in Duitschland en in de Nederlanden, in de dertiende Eeuwe, uit hunne duiftere fchuilhoeken voor den dag kwamen, en, in zeer korten tyd, tot verbaazens toe vermenigvuldigden. Zy zyn van veel ouder herkomften dan deeze Eeuw;doch nu verkreegen zy eerst een naam, en maakteneeniggerugtin de Werelt. Sommigen meenen, dat zy door de H. Begga , Dogter van Pepyn van Landen, Hertog van Brabant, in de zevende Eeuwe, ingefteld, en naar dezelve genoemd zyn. vid. Mirüïi Opera Diplom. Tom. I. p. 215, 216, 429. Tom.ILp. y+8, 998. Dochanderenbeweeren.datde Orden der Begynen, omtrent den jaare 1170, dooreenen Priefter van Luik, Lammert Begghe of le Begue, dat is, de Stamelaart, genaamd is geftigt, die eenige Weduwen en Dogters bewoog, om ongehuuwd en in gemeenfehap te leeven onder het beftuurend opzicht van eene Vrouw. vid. Magnum Chron. Belg. adannum 1168. p. 210. ad arm. 1207. P- 232. edit. Pistorii. Hier verdeelden zy haaren tyd in Godsdienflige verrigtingen, ea eerlyken arbeid, aan zich de vryheid behoudende, om, als zy het goedvonden, in den Echtenftaat te treden, en het Klooster te verlaaten. Zy namen in 't kort fterk toe, in de Nederlanden , alwaar alomme Begynhoven werden opgeregt. Doch in den aanvang der veertiende Eeuwe, hingen eenige Begynen de doolingen aan van eenen Minderbroeder, Pieter Jan d' Oli va genaamd, die, inde Kerkvergadering van Vienne, in't jaar 1312, veroirdeeld werden. De Orde der Begynen werd in de zelvde Kerkvergadering, te niet gedaan. Doch fommigen meenen, niet zonder grond, dat de Kerkvergadering niet beoogd hebbe, de Nederlandfche Begynen, die regtzinnig gebleeven waren, en zich binnen de paaien haarer eerfte eenvoudige inftellinge gehouden hadden, te veroirdeelen. voyez Fleurv Hifi. Eccl. Tom. XV. p. 350. Tom. XIX. p. 20Ö". Immers men vindt dat de Bisfchop van Kameryk de Begynen van Antwerpen, in 't jaar 1323 van de gemeene doolingen der Begharden en Begynen vry verklaard heeft. vid. M.mm Op. Dipl.

Tom.