is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEGUINEN.

Tom. I.p. 215. Ook hebben de Paufen de voorrechten van fommige Begynehoven, in laater tyd, meermaa]en bevestigd. J. F. Foppens nova, Dipl. coll. p. 205, 207. De blaam van onrechtzinnigheid die op eenige Begynen gelegd was, fchynt nogthands anderen, nadeihand, bewoogen te hebben, om zich, liever UrJulinen dan Begynen te laaten noemen. De AmfteldamJche Begynen, die altoos Begynen genoemd zyn, hebben ook zonder zich egter aan S. Ursulas regel te binden, S. Ursula zo wel als S. Jan, tot haare Patroone verkooren : 't welk dan ook de reden is, waarom zy S. Ursula, meteenigen haarer Maagden, boven de poort van 't Begynhof, en elders op den Hof hebben uitgebeeld.

De Begynen, die te Amjleldam, federt eenige jaaren, wederom zyn toegenoomen in getal, en thands ruim dertig haaien konnen, ftaan onder debeftiering van vier Meesteresfen, die, van ouds, en nog tegenwoordig, Moirs of Moeders genoemd werden, en deeze waardigheid, voor haar leeven, bekleeden, wordende, by 't sflterven van eene derzelven, door de overigen, eene andere gekooren, in derzelver plaatze. De Meederesfen, van welken wy fpreeken, droegen, in'tbeginder vyftiende Eeuwe, den bynaam van Bewaarfteren des Begynhofs, en waren toen maar twee in getal. Zy hadden recht, om, nevens zeven van de oudfte Begynen, eenen wereldlyken Priefler te kiezen tot eenen Kapellaan, die ook den naam van Pater, Vader of Overfte der Begynen droeg, welken by nog beden voert. Hy, of zyn Gemagtigde waren alleen bevoegd verklaard, om der Begynen biegt te hooren;dezeiven wy te fpreeken, boete op te leggen, en met de Sacramenten,byzonderlyk, met het laatfte Oliezei, te bedienen: in welk recht, de Pastoor van 't Begynhof, als Overfte der Begynen , zich, nog tegenwoordig , handhaaft. Ondertusfchen hebben Burgermeesteren, van ouds, ook de hand gehad in het beroepen van eenen Pater of Overfte der Begynen. Immers, men vind, dat zy, op den negen en twintigften van Bloeimaand des jaars 1477, MeesterHerwych Gysbertszoon, Amfteldammer, die, te Heidelberg, een Keikelyk Beneficie hadt, by eenen Brief, die, in de Stads Registers, geboekt ftaat, genodigd hebben, om het regiment van de Begynen, die hoer Pater onlanx gefturven was, an te nemen, onder belofte van hem zekere jaarlykfche fomma, tot zyn onderhoud , te zullen toeleggen.

Oudtyds, en volgens de Handvest van Hertoge Albrecht van den jaare 1393, mogten de Begynen geenerlei bewind van wereldlyke dingen hebben; 't welk egter zo niet fchynt verftaan te zyn, dat men haar niet, zedert, altoos, zo verbekend ftaat, het beftier haarer eigene tydelyke zaaken toegelaaten heeft: 't welk zy ook nog tegenwoordig hebben. Sommigen oefenen 't een of 't ander Vrouwelyk handwerk: anderen leeven van haar eigene inkomften. Voor 't overige, leezen zy haare Gebeden en Getyden, in Jt Nederduitfch, zo wel in haare wooningen, als, dagelyks, in de KerkeZy neemen de lasten van den Hof, als het Poortier fchap, het Kosterfchap enz. by beurten waar. Ook draagen zy zorg voor 't fchoonhouden der Kerke, en 't vercieren van den Altaar : alle welke dienden haar, door de Meesteresfen, worden opgelegd. Zy worden. na dat zy, eenen geruimen tyd, -beproefd zyn, door den Overfte en de Meesteresfen, pltgtigiyk ontvangen of gekroond, gelyk men 't noemt; waar na zy de Mees

BEGUINEN. 441

teresfen, in gewigtige gelegenheden ,' tot raad dienen, en de gemeene lasten van den Hof helpen draagen. Als een Begyntje eerst aangenoomen is, 't welk ook, plegtiglyk, door den Overfte, gefchiedt, moet zy, zes weeken larg, binrien den Hof blyven, en in't eerfte jaar, niet u.t de Stad gaan. Zelvs mogen de Begynen ia 't geheel niet uitgaan om boodfehappen te doen, zonder daar toe, maandelyks, verlof te vraagen van do Meesteresfen. Van den Advent tot aan Kerstyd, ea van Vastenavond tot aan Paafchen, mogen zy niet buiten den Hof ter maaltyd gaan. Op Kermisdag, en 's Maandags en 's Dingsdags daar na, noch op den" eerden Paafch-, Pinxter en Kersdag, mogen zynietalleen niet ter maaltyd gaan, maar ook niet aan ftraat gaan kyken. Op de Zon- en Feestdagen, mogen zy niet uitgaan, zonder merkelyke oirzaak, zelvsniet, nadat de Vesper of Avonddienst geëindigd is. Uit de Stad gaande, mogen zy niet verder reizen, noch langer uitblyven, dan zy verlof hebben. Zy mogen op geene Bruiloften, noch groote Gastmaalen gaan, daar veele wereldlyke Perfoonen zyn : ook niet naar Kermisfen of Jaarmarkten trekken: en zelvs niet, zonder verlof, buiten den Hof gaan eeten, veel min vernagten. Zonder verlof van den Overfte en Meesteresfen mogen zy niet van de eene wooning in de andere verhuizen. De Meesteresfen mogen by raade vandeOudflen, eene Begyn, die zich ongeregeld gedraagt, uit den Hof zetten, en onderhoud weigeren. Doch *t is niet zonder voorbeeld, dat Burgermeesteren aan de Meesteresfen belast hebben, zekere Begynen, die in derzelver orgunst vervallen waren, vrye wooning en onderhoud toe te leggen. Na negen uuren, moet elk in haare wooning wezen, en na tien uuren, moet het ligt worden uitgedaan, behalve daar Zieken zyn. De Begynen moeten, vlytiglyk, ter Kerke komen, en op het leezen haarer Lesfen of Getyden acht geeven. Haar gewaad en huisraad moet zedig zyn. Zy mogen niet dan gekleed voor den dag komen, en niet dan met eene Kaper over den Hof of uitgaan. Tot voorkominge van gedruisch op den Hof, mogen 'er geene Haanen noch Honden gehouden worden. Ook mogen 'er geene Vriendinnen der Begynen of andere vernagten, zonder verlof van de Meesteresfen: en Knegtjes, die boven de drie jaaren oud zyn, in 't geheel niet. Hertog Albrecht hadt reeds belast, dat geene vreemde Mansperfoonen op den Hof mogten eeten, beh'a'ven de Arbeiders, die aldaar werken moeften. En federt is 't eene beftendige gewoonte geweest, dat men, overeenkomftig met de inftellingen van andere Begynhoven , geene Mansperfoonen op het Begyn-Hof heeft laaten vernagten, dan den Pastoor en zynen Kapellaan. De meesten der gemelde byzonderheden zyn vervat in den Pegel der Begynen, uit agttien Leden beftaande. Hy werdt, in 't jaar 173r, door den Pastoor op 't BegynHof, Feanciscus Cornelius Dierout, aan Burgermeesteren overhandigd, ter gelegenheid, datfommigen beweerden, dat het Begyn-Hof begreepen was, onder de Roomfch-Geestelyke Geftichten, aan welken, volgens het Plakaat van den vierden May des jaars 1C55, niets, by uiterften wil, mogt gemaakt worden. Doch de Pastoor wees hier tegen aan, dat het Begyn-Hof geen Klooster was; dat de Begynen vryheid hadden, om den Hof, ten allen tyde, wederom te verlaaten; dat elk haarer de vrye befchikking over haare Goederen behieldt, en dat de Regel, waarnaar zy zich, op 't Bc>.

K k k 2 gyn-