Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIBLIOTHEEK.

plaatst, toont ons, wat men in de Godgeleerdheid,

Rechtsgeleerdheid, Geneeskunde, Wysbegeerte, Gefchiedenisfen, Dichtkunde, Oudheden, enz.voorheen

vermogt. Gewisfelyk, het is een zeer uitneemen-

de kunst Boeken te drukken } en het gedrukte Eeuwen lang te kunnen bewaaren! Hoe veele verfchillende Weetenfchappen, naauwkeurig befchreeven , worden dus der vergetelheid ontrukt, den Weetgierigen medegedeeld , en de Nakomelingen nagelaaten tot onderwys en leering1. Wat arbeid , infpanning en beproeving winnen deezen daar door niet uit. Zy weeten hier door, wat men voorheen gedagt en gedaan heeft, en wat 'er voor hun te denken en te doen nog overblyft, om de Weetenfchappen tot den hoogften trap van volmaaktheid te brengen. De gedagten van de grootfte Mannen van zeer veele Eeuwen worden dus in eene kamer, dikwerf in een Boek, by eikanderen bewaard, die anders voor altyd zouden weg zyn. Welk een genoeglyke befchouwing geniet dan niet een hart, dat naar kundigheden dorst, wanneer het zulk een aantal van zaaken op veele Bladen befchreeven ziet; welke de Banden zorgvuldig bewaaren, om dezelve ter gemakJyke leeziig voor te houden, en waar is dan iets, dat ons de hoogheid van den Menfch, en de uitmuntendheid zyner vermogens beter vertoont of nadrukkelyker doet kennen, dan een wel geforteerde Bibliotheek.

Voor iemant die lust tot Studie en onderzoek heeft, kan niets aangenaamer nog waardiger zyn, dan in eigendom tene goede Bibliotheek te bezitten, die van de beste Schryvers in de taak van Wetenfchappen wier beoefFeninghy heeft uitgekozen, is voorzien; dan hoe veelen zyn'er, die eene Bibliotheek verzamelen , enkelom voor Menfchen van Geleertbeid, en fmaak gehouden te worden! Waarlyk maar al te veel. Hier fchiet my te binnen ergens geleezen te hebben, dat een gemeen Man die naauwlyks leezen kost, in de zo beruchte Actiehandel van het jaar 1720 een important fortuin gemaakt hebbende, een kostiyk Huis liet bouwen, en niet vergat om daar een vertrek in af te zonderen tot het plaatzen eener Bibliotheek beftemd; fraaije gladgeboen■de eiken Kasfen wierden hier in getimmerd, tot het piaatzen van Folianten, Quarten, en Octaven, (want minder formaaten begeerde men niet) en zorgvuldig door de Timmerman gemeeten welk eene breedte van Boeken 'er konden geplaatst worden; met deeze bereekening voorzien, reist onzen Fortuinmaaker naar Amfteldam, vervoegt zich byeen voornaam Boekverkoper, en geeft hem zyne begeerte te kennen om een' Bibliotheek te koopen: deeze zynde een kundig Man, vraagt hem in welke klasfe en taaien hy die Bibliotheek verkiest geforceerd te hebben ; het antwoord was, dat zulks hem om 't even was, als hy de plaats die hy 'er toe voorbefchikt hadt maar vervullen konde, die zo veel voeten als hy opnoemde befloeg, en dat hy om niet veel omflag te maaken verkoos, de Boeken die in zyne Winkel ftonden, by de voet te koopen; de leepe Boekverkoper die ras begreep met wat fnaak hy te doen hadt, fchikte zich na dit voorftel, en deed een' eifch; de koop wierd gefloten, en men ging aan 'tmeeten, dan de beftemde plaats voor de Quarten en Octaven koste niet vervuld worden met de Boeken die in de Winkel ftonden, dit zoude byna den gantfehen koop vernietigc hebben, dewyl onzen Vriend in eenmaalen zyne Bibli otheek wilde voltallig maaken, dan de Boekverkopei herinnerde zich dat hy in een ander Vertrek nog eei

BIDDEN. 515

party üitfehot hadt, 't welk tot fcheurpapier was voorbefchikt; deezen wierden fchielyk afgehaald; en gelukkig voor den Koopman dat de voorraad groot genoeg was om het gebrekkige te vervullen , de Boeken wierdengepakt, het geld daar voor betaald, en onzen Vriend vertrok met zyn' Bibliotheek, zeer vergenoegd van in zulk een korten tyd zulk een fchat van Geleertheid opgedaan te hebben, terwyl de Boekverkoper niet minder te vreden was, voor zyne Boeken, waar onder een' menigte prullen forteerden, een buitengewoone prys gemaakt te hebben. Het waare intusfchen tè wenfehen , dat het houden van onnutte Bibliotheeken alleen tot gelykfoortige Fortuinmaakers bepaald ware ; dan de dagelykfche ondervinding leert, dat veelen der genen die door de aanzienlyke Ambten welke zy in de Republyk bekleeden, verpligt waren zich door Studeeren in hunnen aanbevoolen post bekwaam te maaken, het Vertrek waar hunne Boeken geplaatst zyn, het minfte bezoeken, en waar op men dus met het grootfte recht, de fchoone plaats uit Seneca, de tranquillit anim. Cap. IX. tegens die genen, welke van hunne Bibliotheeken geen ander gebruik maaken, als van Baden, pragtige Landgoederen, fchooneSchilderftukken, fraay gebeeldhouwde Vafen, en andere Cieiaadien meer, kan toepasfen: Jam enim inter balnearia fjf thermas, bibliotheca quoque, ut necesfarium domus omamentum , expolitur. Ignofcerem plane fi ftudiorum nimia cupidine eriretur. Nunc ifta exquiftta £j? cum imaginibus fuis defcripta facrorum opera ingeniorum in fpeciem (jf cultum parietum comparantur.

BIDDEN, beteekend in een aigemeenen zin die daad, waar door wy regelrecht om zo te fpreeken tot het Opperwezen gaan, voor hem de gevoelens uitdrukken welke ons bezielen, ten gevolge van 't geen wy weeten dat hy in zich zelven is, en ten aanzien van debetrekkingen diewy met hem hebben uitftaan; en zulks het zy dat de Mond door woorden uitdrukke 'c geen de Ziel gevoe't, het zy dat de Geest 'er zich aileen mede bezig houde, zonder van de leevendige rtem gebruik te maaken. Dit is in den uitgeftrekften zin het woord Bidden genoomen; dan in eene bepaalder aanneeming, is Bidden, het verzoek, de vraag, die wy God doen om ons dat gene't welk wy bevinden nodig te zyn, te fchenken. De tweede zin die wy hier aan het woord Bidden hegten, is onwederfpreekelyk in de eerste opgefloten. Een goed Christen Bidder, befchouwt God als een allervolmaaktst Wezen, als de Schepper en Souvereine Meester van alles, de Bewaarder en Beftierer van al het gefchaapene, de Weldoener en Oirfprong van al het goede dat wy genieten, de Wetgeever wiens Wil de rigtfnoer is, welke wy in alle onze daaden moeten volgen , de Opperfte Richter aan wien wy rekenfehap van ons gedrag zullen moeten geeven; terwyl aan de andere zyde, de iVIenfch zich befchouwende zo als by wezentlyk beftaat, in alle opzigten een onvolmaakt en bepaald Wezen is; een Schepzel 't welk ten eenemaalen aan den genen toebehoort, van wien hy zyn'oirfprong heeft, wiens lot in de handen van dien is, die de gantfche Werelt beftierd; een Wezen dat nooddruften behoeft, dien hy niet in ftaat is om zich zelven te verfchaffen, en dieniet kan beftaan zonder de goedgunftigbeid van den genen die de Oirfprong van alle goederen is; een Wezen dat beftiering en leiding nodig heeft, en die wetten van zynen 1 Meester moet ontvangen; eindelyk als een Wezen dat Ttt 3 re'

Sluiten