Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

53

DE NATUURLYKE HISTORIE

andere zagte vogten. Tülpius (jz) die eene goede befchryving, met de afbeelding, van een dezer dieren gegeeven heeft, 't welk men leevende aan Fredrik Hennk, Prins van Oranje, vertoond hadt, verhaalt 'er tennaaftenby dezelfde byzonderheden van als die, welke wy zelve gezien hebben, en die wy ftraks hebben gemeld; maar zo men wil opneemen, wat aan dit dier in 't byzonder als eigen behoorde, en dat onderfcheiden van het geen het van zynen meefter ontvangen hadt; zo men zyne natuur wil affcheiden van zyne opvoeding, dewelke hem inderdaad vreemd is, dewyl hy in plaats van die van zyne ouderen te ontvangen, dezelve van de menfchen gekreegen hadt, zo moet men de gemelde byzonderheden, waarvan wy ooggetuigen o-eweeft zyn, vergelyken met die, welke ons de Reisbefchryvers, die deze dieren in hunnen ftaat van Natuur, in vryheid en in gevangenis zagen, van dezelve gegeeven hebben. De Hr. de la Brosse , die twee orangs-outangs welke nog maar een jaar oud_waren, van een neger gekogt hadt, zegt niet of de neger dezelve afgerigt, of geleerd hadt; hy fchynt integendeel te verzekeren , dat het uit hun zeiven was, dat zy verfcheidene dier verrigtingen deeden, welke wy vroeger hebben gemeld. „ Deze dieren, zegt hy, zetten „ zig, door hunne natuurlyke ingeving alleen geleid, aan tafel, gelyk de „ menfchen; zy eeten van alles zonder onderfcheid; zy gebruiken een mes, lepel en vork om te fnyden en aan te vatten, wat men hun op het bord „ voordient; zy drinken wyn en andere geeftige dranken: wy bragten hen ,, aan boord; terwyl zy aan tafel waren, deeden zy zig van de zwabbers „ verftaan, wanneer zy iets noodig hadden; en zomtyds zelfs, indien die. „ jongens weigerden hun te geeven dat zy verzogten, wierden zy toornig, „ vatteden hen by den arm, beeten hen, en wierpen hen op de vloer neder... „ Het mannetje wierdt, terwyl wy op de Ree lagen, ziek, en liet zig op„ paffen als een menfch; hy wierdt zelfs tweemaal op den regter arm ader „ gelaaten; zo dikwils als hy zig naderhand ongefteld voelde, vertoonde hy „ zyn arm, om te beduiden dat men hem weder bloed moeft tappen, als of „ hy nog wift, dat hem dat goed gedaan hadt."

(n) Er at hic fatyrus quadrupes, fed ab humana fpecia, quam pra fe fert, vocatur Indis orang-outang , homo fylveflris, uti Africanis Quojas morrou : Exprimens longitudine puerum triennittm, ut crajjltic fexennem. Corpore crat nee obefo nee gracili fed quadrato; habilijftmo tarnen ac pcmicijjimo, artubus vet o tam flriclis & mufcuiis adeo vastis, un quidvis & auderet & pojfet ; anterius undique glaber at pone hirfutus ac ni*ris crinibus obfitus. Facies mentiebatur hominem, fed nares fimia & aduncce reigofam £? edentulam anum. Aures vero nil defcrepant <ib humana forma, uti ncque pc&us , ornatum utrinque mamma pratumida C_erat cnim fexus femineQ venter habebat umMlitlti» profundiorem 6? artus, cum fuperiores, turn inferiores, tam exaclam cum hominc fimiMr tudinem , ut vix ovum ovo videris fimilius; nee cubito defuit debita commifura, nccmanibus digitorum ordo nedum pollici figune humana , vel cruribus fura vel pedi calcis fulcrum qua concinna ac decens membrorum forma in caufa fuit, quod multoties incederet ere&us, neque attollerct minus gravatc , quam transferret facile qualecumqtie gravijjimi onerispondus. Bibiturus prehendebat canthari anfam manualtcra ; alteram vero va/is fundo fupponens , abftergebat deinde madorem labiis relictum... eandem dexteritatem cbfervabat cuhitum, iturus; inclinans caput in pulvitiar, & corpus flragulis convernicnter operiens, &c. Tulpii, Qbferv. Med. lib. III. tap. 56.

Sluiten