Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN DEN HAAS, enz.

121

klimaaten herkomftig; want zy zyn in Siberië zo menigvuldig, dat men hunne vellen by het getal van duizend verkoopt. De Siberièrs, volgens 't geen de Hr. Gmelin zegt, vangen hen in eene foort van val,' onvrent op dezelfde wyze gemaakt als een 4. in 't cyffer , waarin men voor lokaas een ftuk gedroogde vifch legt, en men fpant die vallen op de boomen (d).

Wy hebben reeds gefproken van de zwarte eekhoornen, die in Amerika gevonden worden. De Hr. Aübry, Curé de Saint-Louis, heeftin zyn kabinet een eekhoorn, die hem van Martinique toegezonden, en die geheel zwart is. Zyne ooren zyn genoegzaam zonder hair, of Hechts met een zeer yl en kort hair bezet, het geen hem van andere eekhoornen 011derfcheidt.

De Hr. de ia Borde, 's Konings Geneesheer te Cayenne, zegt, dat 'er in Guiane maar ééne foort van eekhoorn is, die zig in de boifchen onthoudt; dat zyn hair roodachtig is, en dat hy niet grooter valt dan de rot in Europa ; dat hy leeft van de zaaden van maripa , van de aoura, de comana, enz.; dat hy zyne jongen, ten getale van twee, in de boomgaten werpt; dat hy even als de rot byt, en evenwel zig ligtlyk laat temmendat zyne fchreeuw een klein geblaas is; dat men hem altyd ziet van tak tot tak fpringende.

Ik ben niet overtuigd, dat dit dier"van Guiana, waarvan de Hr. de la Borde fpreekt, een wezendlyke eekhoorn zy, omdat deze dieren in't algemeen niet veelin zeer heete landen gevonden worden, gelyk dat van Guiana. Hunne foort is daarentegen zeer talryk , en zeer verfcheiden in de gemaatigde en koude ftreeken van de Nieuwe zo wel als de Oude Wereld.

Men vindt, zegt de Hr. Kalm, verfcheiden foorten van eekhoornen in Penfylvanie, en men brengt, by voorkeur, de kleinfte foort, fde land-eekhoorn) op, om dat hy de aartigfte is, fchoon hy zig vry moeijelyk laat temmen. De |roote eekhoorns doen veele fchade m de maïs-planteryen; zy klauteren boven op de airen, en fnyden die door, om_ er het merg uit te haaien; zy vallen fomtyds met honderden op een veld, en vermelen het alsdan in een enkelen nacht. Men heeft hun leeven op prys gefield, om hen door dat middel te verdeken. Men eet hun vleefch, maar men maakt weinig werks van het vel (e). De graauwe eekhoorns zyn zeer gemeen m Penfylvanie, en in verfcheiden andere ftreeken van NoordAmerika; zy gelyken in geftalte naar die van Zweeden, maar in den zomer en in den winter behouden zy hun graauw hair, en zy zyn ook wat grooter. Deze eekhoornen maaken hun Deft in holle boomen, van mofch en ftro: zv voeden zie met vruchten van boomen, maar zy verkiezen de maïs boven dezelve. Zv doen voorraad op voor den winter, en houden zig in de felfle koude in hunne magazynen btflooten. Niet flegts doen deze dieren veel fchade aan de maïs, maar ook aan de e.kenboomen, waarvan zy de bloeifem, zodra dezelve te voorfchvn komt, afftyden ; zodat deze boomen zeer weinig eekels draagen. Men wil dat zv in de velden van Penfylvanie thans talryker zyn dan te vooren, en dat zv toegenomen zyn naar maate men de maïs-planteryen vermeerderd heeft als w^ruif ™ hun voornaamfte voedzel haaien (f). 3 ™ aeeu» ais waaruit zl

Cd") Foyage de Gmelin en Siberië. Tom. II. pag. 252. (O Foyage de Kalm. Tom. II. pag. 245.

^XV~Dccl. " lb'd',H' 45°' q

Sluiten