Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'VAN DEN Z E E - B Ê E R. *ö9

zig verveelen, bulken zy als koeijen, of loeijen, en nadat zy overwonnen en geflagen zyn, fteenen zy van fmart, en doen een geblaas van weedom hooren, ten naaftenby gelyk aan de fchreeuw van de faricovienne. In de gevechten brullen zy als de leeuwen; en eindelyk in de vreugde en na de overwinning maaken zy een klein fcherp gefchreeuw, 't welk zy verscheidenmaal na den anderen herhaalen.

Zy hebben alle de zintuigen, en inzonderheid den reuk, zeer goed, want door dit zintuig worden zy zelfs in hunnen flaap onderricht, zo dat zy ontwaaken terwyl men hen nadert, fchoon men nog verre af is.

Zy gaan niet zo langzaam als het maakzel hunner voeten zou fchynen te kennen te geeven; men moet zelfs een goed Iooper zyn om hen te kunnen agterhaalen (h). Zy zwemmen met veel fnelheid, in zo verre, dat zy in een uur tyds meer dan eene Duitfche myl kunnen afleggen (i). Wanneer zy zig by den oever vermaaken, of den tyd verdry ven, maaken zy in het water verfchillende gemeenfchaplyke beweegingen; dan eens zwemmen zy op den rug, dan weder op den buik; zy fchynen zelfs zig dikwyls in eene byna loodrechte plaatfing te houden; zy rollen zig, en fchieten fomtyds uit het water, ter hoogte van eenige voeten (k). In volle zee houden zy zig bykans alcyd up den rug, zonder dat men echter hunne voorfte pooten ziet; maar alleenlyk hunne agterfte, die zy van tyd tot tyd uit het water fteeken; en dewyl het eironde gat van 't hart by hen open is, zo hebben zy het vermogen van lang in het water te kunnen blyven, zonder te ademen. Zy neemen van den grond der zee de krabben en andere fchaalviffchen en fchelpen op, en zy voeden zig daar mede, terwyl zy gebrek aan vifch hebben.

De wyfjes werpen in de maand juny op de onbewoonde eilanden van het noordelyk halfrond, en dewyl zy in de volgende maand july weder driftig worden, kan men daaruit opmaaken, dat de tyd van dragt ten minften tien maanden is. Haare dragten zyn gemeenlyk van ééne, en zeer zelden van twee vruchten. De mannetjes zyn, by de geboorte, dikker en zwarter dan de wyfjes, die met den groei blaauwachtig, en gevlakt of getygerd tufTchen de voorfte beenen worden (/). Yder mannetje of wyfje

Ch~) Steller, Novi Comment. Acad. Petropol. Tom. II. ann. 1751. De Hr. de Pages evenwel, die deze dieren aan de Kaap de Goede-hoop gezien heeft, alwaar de foort klein valt, zegt, dat zy zeer langzaam gaan, en dat zy, zeer vet en vol zynde, moeite hebben om te lande om te keeren. Noote, medegedeeld door den Hr. de Pages, vaandrig op '.s Konings fchip.

QO „ De zee-kat (^zee-beer*), zegt de Hr. Kracheninnikow, zwemt zo fnel, dat hy „ gemaklyk tien werften in een uur kan afleggen; zodra hy zig gekwetff vaelr, vat hy het „ vaartuig van den vifleher met de tanden aan, en fleept het met zulk eene gezwindheid „ dat het op 't water fchynt te vliegen. Het gebeurt dikwyls dat hy het om verre werpt' „ en dat zy, die daarin zyn, verdrinken, ten zy de ftuurman het wél weete te beloeren' „ en de ftreek in acht te neemen, die het dier zwemt." Hifi. du Kamtfchatka, Tom, I. pag. 306.

Noot medegedeeld door den Hr. de Pages, vaandrig op 's Konhgs fchip. (O Hijioire du Kamtfchatka, par Mr. Kracheninnikow, Tom. I. pag. 296.

XVI Deel. Y

Sluiten