Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

224

DE NATUÜRLYE HISTORIE

lyks voor oogen heb : het is in eene myn van yzer in korrels, by Etivey, drie mylen van myne yzerfmelteryen te Buffon, eene myn, die voor honderd vyftig jaaren geopend is, en waaruit men federt dien tyd al het mineraal gehaald heeft, dat in de fmeltery van d'Afy gebruikt is; het is in die myn, zeg ik t dat zulk eene groote menigte ammons • hoornen in hun geheel en aan ftukken, gevonden is, dat het grootfte gedeelte van de myn in deze fchelpen fchynt gevormd te zyn. De myn van Conflans in Lotharingen, die in den oven van Saint - Loup*in Franche - Comté gefmolten en gezuiverd wordt, beftaat insgelyks niet dan uit belemniten en ammons - hoornen ; die laatfte yzerachtige fchelpen zyn van zo verfchillende grootten, dat 'er zyn van de zwaarte van een vierendeel loots af, tot aan die van tweehonderd ponden toe. («). Ik zoude andere plaatfen kunnen aanhaalen, waar zy even overvloedig zyn: het is hetzelfde met de belemniten, de linsfteenen, en een menigte andere fchelpviftchen waarvan men tegenwoordig geen leevende gelykflachtige of daaraan beantwoordende, vindt, in eenige ftreeken van eenige zee; fchoon zy byna algemeen verfpreid zyn over de geheele oppervlakte der Aarde. Ik houde my verzekerd, dat alle die foorten, die nu niet meer beftaan, voormaals beftaan hebben geduurende al den tyd, dien de warmte van den Aardbol en van de wateren der zee fterker was dan zy tegenwoordig is, en dat het even eens kan gebeuren, dat, naar maate de bol in zig zei ven kouder zal worden, andere foorten , thans leevende, zullen ophouden voortteteelen, en dus vergaan zullen, gelyk die eerfte vergaan zyn, door de al te fterk toe« genomene koude.

De tweede waarneeming is, dat eenigen dier veraarlyk groote beenderen , welken ik meende, dat aan onbekende dieren behoorden, en waarvan ik de foorten onderflelde verloren te zyn, ons echter, na dezelve zeer naauwkeurig onderzocht te hebben, zyn voorgekomen tot de foort van den olyfant, en tot die van het rivierpaard te behooren, maar inderdaad tot olyfanten en nvierpaarden veel grooter dan die van den tegenwoordigen tyd. Ik ken onder de land-dieren niet meer dan ééne foort, die verloren is; te weeten die waarvan ik de baktanden heb laaten aftekenen, met derzelver afmeetingen, (PI. I, II, III,) de andere groote tanden en zwaare beenderen welken ik heb kunnen verzamelen, hebben tot olyfanten en nvierpaarden behoord.

(o) Mémoires 4e Pbtfque de Mr. de Grignon, pag. 378.

B Y-

Sluiten