is toegevoegd aan uw favorieten.

De algemeene en byzondere natuurlyke historie, met de beschryving van des konings kabinet.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANHANGZEL TOT DE HISTORIE VAN DEN MENSCH. **7

menfchen, welke enige reizigers zeggen daar gezien te hebben, geene inboorlingen des lands waren, maar vreemdelingen, die, om de ftrengc koude van die funftreek zv als de Samojeeden gekleed hadden, omdat de Rusfen, op die reizen , oewoon zijn klederen te draagen op de wijze der Samojeeden . . . . . De koude van Nieuw Zembla is zeer maatig, in vergelijking van die m Spitsbergen • op het laatstgemelde eiland heeft men geduurende de winter-maanden , geen dag 'of fchemer- licht; het is alleen uit de plaatflng der Herren, die dan dooro-aande zigtbaar, zijn dat men den dag van den nagt kan onderfcheiden, in plaats Van dat men in Nieuw Zembla dezelve onderfcheidt door een flaauw licht, dat zig altijd op de middag-uuren doet bemerken, zelfs op tijden wanneer de zon zig niet vertoont. .

Zij die het ongeluk hebben van 111 Nieuw Zembla te moeten overwinteren, fterven niet , gelijk men meent, door de groote koude, maar door de uitwerkingen van de dikke ongezonde nevels, die dikwijls veroorzaakt worden door de verrotting der kruiden en mosch van het zee - ftrand, als de vorst te lang weg

blMen weet uit oude overlevering dat 'er enige huisgezinnen 'geweest zijn, die zig met vrouwen en kinderen naar Nieuw Zembla begeeven en zig daar nedergezet hebben , ten tijde van de vernieling van Nowogrod. Onder de regeering van Czar Iwan Wasilewitz was ook een lijfeigen boer, het huis van de Stroganows toebehoorende, ontfnapt en hadt zig daar met vrouw en kinderen nedergezet, en de Rusfen kennen tot heden nog de plaatfen, daar die heden gewoond hebben en noemen die bij hunne naamen; maar de aframmelingen van die ongelukkige huisgezinnen zijn alle op denzelfden tijd, waarfchijnlijk door de verderilijke dampen van diezelfde nevels, omgekoomeu.

Men ziet uit het bericht van den Heer Klingstedt dat de reizigers menfchen in Nieuw Zembla gevonden hebben; hebben zij dan toen die menfchen niet voor inboorlingen des lands moeten aanzien, naardien zij ten naasten bij als de Samojeeden gekleed gingen? Zij zullen dan die menfchen, welke zij in Zembla gezien hebben, Zemblieërs genoemd hebben; die dwaaling is, zoo het eene zij, zeer vergeeflijk; want, naardien dat eiland zeer uitgeftrekt is en zeer digt bij het vaste land ligt, zal men bezwaarlijk kunnen gelooven dat het voor de aankomst van dien Rusfifchen boer geheel onbewoond was.

2. De Heer Klingstedt zegt dat ik met even weinig grond ge/prooken heb omtrent de Borandaijers, van welke men zelfs tot den naam niet kent in veheel het Noorden en welke men daarenboven bezwaarlijk zou kennen aan de befchrijving, die ik van hun geef. Dit laatfte verwijt gaat mij niet aan; zoo de befchrijving der Borandaijers, door de Hollandfche reizigersin dc 'verzameling van de Reizen naar het Noorden gegeeven, niet omftandig genoeg is dat men 'er het volk uit kennen kan, is het mijne fchuld niet, ik "heb niets bij hunne befchrijvingen kunnen voegen. Het is eveneens met den naam gelegen; ik heb dien niet verzonnen; ik heb dien gevonden niet alleen in die verzameling van iReizen, welke de Heer Klingstedt hadt moeten nazien, maar ook op de Engelfche kaarten en globes van den Heer Senex, Lid van de Koninglijke Maatfchappij te Londen, wiens werken den grootflen naam hebben van naauwkeurigheid en juistheid. Ik kan dan tot hier toe-