is toegevoegd aan uw favorieten.

Bybels zakelyk-woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERWERPEN.

VERWERPEN, 239

de Romeinen omgekeerd zynde, is hun Land ook verwoest geworden , en tot nog toe verwoest geblceven; fchoon bewoond , is het, van wegen de ftrooperyen der Arabieren, en de kneevelaaryen der Turken llegts bebouwd,en ten grooten deele onbebouwd, zo dat het wel eer zo vet en vruchtbaar Kanaan is geworden als eene barre Woestyne. Zy, die overgebleeven waren van den hon« ger, de pestilentie en het zwaerd, werden door de Romeinen verftrooid over geheel den Aardbodem. Eene en andere pooginge door hen in het werk gefteld , om zich wederom te herftellen, is vruchteloos afgeloopen; zy zyn tot den dag van heeden toe verftrooid gebleeven, en ftrekken aan alle Volken , Christenen en Onchristenen , als tot een voetwisch en uitvaagfel: Schoon in het eene Land wat zagter behandeld dan in het andere , zy zyn evenwel in het Land hunner Vyanden. Van Godt verlaaten ten aanzien van het Geestelyke , beflooten onder een fchroomlykst oordeel van verhardinge en ongeloof, heeft Hy ze evenwel zo niet verlaaten, dat Hy een einde van hun zoude hebben willen maaken. Sinds meer dan XVII eeuwen verftrooid door alle vier winden van de waereld, alomme geplukt en onderdrukt, overal van byna alle burgerlyke voorrechten ontzet, dienstbaar aan vreemde en dikwils harde Heeren, hebbende geen' eigen Koning of' Vorst, en des niet te min nog onder andere Volken niet verfmolteu; nog kenbaar als een Volk, eenige honderd duizenden fterk, door af komst en huwelyken onderling verbonden, en van alle andere Natiën onderfcheiden. Dit is iets, waarvan de Waereld nooit de weêrgaêEeeft gezien ; iets, 't welk de aandacht en verwondering van elk oplcttenden moet wekken; iets, 't welk elk eenen moet overtuigen, dat het oog van Godts voorzienigheid,, hoe zeer Hy zyn aangezigt voor dit Volk verbergt, fteeds op eene byzondere wyze op hetzelve geftaagen blyft; iets, waar uit men met grond befluiten mag, dat Hy met hetzelve nog wat goeds en groots voor hebbe. Trouwens, wy weeten uit het Pro* pheetisch woord, wat 'er in het laatfte derdagen zal gebeuren. Door den Geest uit der hoogte bewrocht tot bekeeringe en geloof, zullen zy een welgevallen hebben aan de ftraffe hunner ongerechtigheid, in goeden ernst zoeken den HEERE hunnen Godt en

Mm

welke zy op deeze belofte gronden , en meent, dat zy zich ze!ven met deezen gouden Aap, aapen en bedriegen. Dan ik zie daar geene reede voor. Want, behalven dat veele andere Propheetien ons van de wederaanneeminge der Jooden duidelyk genoeg verzeekeren, zo leidt ons het beloop Via"Mofes voorftel ook daar toe op. 'Er wordt gefprooken van eene tweederlei verwoestinge van hun Land, en verftrooijinge in het I^and hunner Vyanden. O >k tot tweemaal toe , dat zy een welgevallen zouden krygen aan de ftraffe hunner ongerechtigheid. Insgelyks tot tweemaal toe, dat Godt, hun ten goede, zoude gedenken aan zyn Verbond met hunne Vaderen ; het eerfte vinden wy vs. 32—42. Het tweede vs. 43, 44, 45. Nu weeten wy, dat de Jooden flegts tweemaal z® eene verbanning uit hun Land in het Land hunner Vyanden ondergaan hebben. Eerst na de verwoestinge van Jeruzalem door de Chaldeen; en diar na weder na dc verwoestinge van Jeruzalem door de Romeinen. Willen wy nu Mofes, of liever Godt zelv', die door Mo/es fpreekende wordt ingevoerd , niet van een onnoodig woorden h&rhaalen befchuldigen , zo is 'er immers niets gereeder te denken, dan dat de Eerfte voorzegginge zie op hunne wechvoeringe na, en wederkeeringe uit Babel; en de Tweede op hunne thans nog duurende verbanninge en aanftaande wederaanneeminge. En zo veel te meer, om dat men dan reede kan geeven , waarom het, 44. vs. met zo veel nadruk begint: En bier tc boven is dtt ook. Als hadde Godt willen zeggen: „ Schoon „ ik ze eenmaal om hunner" zonden wille

verbannen en weder aangenoomen hebbe: „ Schoon zy daar door niet wyzer gewor„ den zyn , maar het van nieuws wederom ,, tegen my zo verdorven hebben , dat ik „ andermaal hun Land ter verwoestinge, en „ hunne perfoonen ter verftrooijinge in het

Land hunnerVyamlen overgegeevenhebbe;

fchoon zy daar door verdiend hadden,

dat ik voor altoos een einde van hun had,, de gemaakt, ingevolge dat woord : Die „ dikwils beftraft zynde, zynen nek verhardt. ,, zal fchielyk verbrooken worden , dat 'er „ geen geneezen aan 23', (Spr. XXIX: i.)Des „ niet te min, of nog hier te boven is dit ook,

,; dat ik hen niet zal verwerpen ." Het

dus neemende, zal het alles ook zeer wel vloeijcn. Hun Kerk- en Burgcrftaat door