is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERGIERIGE.

„ tot welke ik verheven ben, gedongen; ik ben niet ,, dan tegen mynen zin tot dezelve opgeklommen ;

en ik blyf die niet behouden dan om dat ik 'er toe ,, gedrongen worde, door het vooruitzicht, dat der„ zeiver aflegging ftrekken zoude, om het Gemeene„ best en my zeiven aan nieuwe onheilen bloot te „ fteilen."

Na den dood van Keizer Maximiliaan, werden 'er fterke kuiperyen in het werk gefteld van de zyde der genen, die naar hetKeizerrykdongen. Detweevoornaamftemededingers waren, Franciscus de J.en Karel d ■ V. De Keurvorften beflooten, om een eind van a^le twisten te maaken, deeze beiden als vreemdelingen uit te fluiten , en de Keizerlyke Kroon te plaatzen op hei hoofd van eenen uit hunne Landgenooten, en uit het getal der Keurvorften. Zy verkoozen dan met ee.ipaarigheid van ftemmen Fredrik van Ss.toj , bygenaairid de Wyze, die vryheid verzogt om de zaak twee dagen in zyn beraad te neemen, en op den derden dag bedankte hy de Keurvorften met groote zedigheid , hun voor oogen (tellende, dat hyzich om zyne hooge jaaren te zwak bevond, om een post van die aangelegenheid op zich te neemen. Na dat men vrugteloos gepoogd hadt, hem door allerleye beweegreden van belMtte doen veranderen, hielden de Keurvorften aan dat hy zelv' den perfoon benoemen zoude, die naar zyne gedagten best gefchikt was om die hooge waardigheid te bekleeden, verzekerende, dat zy zich naar zynen raad zouden gedraagen. Fredrik weigerde dit lang; doch eindelyk, door het fterkaanhouden der Keurvorften gedrongen zynde, verklaarde hy zich voor de Koning van Spanjen.

Het geen wy wegens het Oppergezag gezegd hebben, moet men zeggen van alle Staats-en Överheids-ambtei. De verftandigfte Vorften hebben de heerfchzugtigen altyd geweerd, en hen gezogt, die naar geene hooge Eerplaatzen dongen. Ondanks de beguichelingen der ongetrouwheid, hebben zy kunén zien; dat het Gemeenebest niet veiliglyk kon worden toevertrouwd , dan aan de zorge der genen, die verdienften genoeg hadden, om zich met deszelvs beftieringe niet te willen belasten. En zy zogten met zo groote zorgvuldigheid naar Menfchen,. die aanzienlyke bedieningen waardig waren, dat 'er gevonden werden, welke men met geweld moest noodzaaken om dezelve aan te neemen, gelyk Plinius wegens Trajanus heeft aangemerkt.

Alle deeze bedenkingen toonen ons, dat 'er niets waarlyk verhevens in de waardigheden te vinden is, dan het gevaar, waar van zy verzeid gaan; dat men -de waare roem fteilen moet in de genegenheid om dezelve te verachten, of niet dan ter bevorderinge van het gemeene welzyn aan te neemen; dat de wezenlyke grootheid beftaat in de grootheid zelve vaarwel te zeggen; en dat men een Slaaf is zo lang men EerAmiten begeert, drar men waarlyk Meester wordt, wanneer men die weet te verfmaadem

EERGIERIGE, verftaat men een zodaanig Mensch door, wiens poogingen ftrekken om zich op de eene of andere wyze, boven anderen te doen eerbiedigen of ontzien.

Eene we! geregelde Eergierigheid door deugd beftierd om boven eenen anderen uit te munten, is niet alleen geoirloofd.,. maar zelvs pryslyk en nuttig voor den.

EERGIERIGE. 1573

bloei der konften en weeten behappen. Dan de Eergierigheid door andere grondbeginfelen beftierd, verftrektden genen die 'ermede behebt is toteenen Beul.

De konst om beroemd, geëerd en geacht te worden , beftaat niet daar in, dat men onophoudelyk naar hooger Eer-Ambten tragte, dat men zich zeiven fteeds boven anderen zcfeke te verheffen, maar daar in, dat men de begeerte naar roem maatige en bepaale. Wy willen hier niet eens fpreeken van de zulken, die al~ ïeenlyk naar eene bloote fchynëere tragten, en zelvs door ongeoirloofde middelen en wegen ; want 't is ontegenfpreekelyk, dat zulke onzinnigen nooit geluk, kig kunnen zyn, of eenige rust in hun gemoed hebben. Maar wy willen eenen Eergierigen befchouwen, die alleenlyk naar de waare eere, door den weg van wezenlyke verdienften , maar met onbepaalde drift, ftreeft. Zulk een Eergierige wordt te jammerlyk vervoerd, door de raazende begeerte, om zyne verdienften by alle Menfchen bekend te maaken; hy wil, dat ieder, die hem kent, hem eere bewyze; ja, hy wil, dat de geheele werelt hem kenne, en hulde betoone. Is 't nu wel mooglyk, dat iemant, die zulk eene gemoedsgefteldheid heeft, het waare geluk en vergenoegen geniete, om welker wille men alleen, op eene redelyke wyze, de eere en den roem zoeken moet'? Al heeft ceri' Mensch nog zo veel vereerders, daar wordt nogthands een oneindig groot getal gevonden, die hem niet eens. by den naam kennen, of iets van zyne groote verdienften weeten. Daarenboven, hy,. die zo Eergierig is, en van alle Menfchen geacht én gepreezen wil worden, is dikwils genoodzaakt, zich,, zelvs tegens wille en dank, op zaaken toe te leggen, waar door hy zich verbeeldt, eenen onfterflykennaam te zullen verwerven, zich ftreelende met de hooper dat hy in ieder een, en zelvs in de laate nakomelingfchap, een' vereerer zal vinden. Maar, wat gebeurt 'er? weinigen, zeer weinigen laaten zich iets aan zyne daaden en verrichtingen gelegen leggen, en hy ondervindt, met verdriet, dat het getafzyneraanbidderen, daardoor, niet vermeerderd is. Dit kwelt, cic fmert hem; te meer als hy ontdekt, dat hy, door alle zyne poogingen, weinig vordert. Indien hy flegts begreep, dat de oirzaak zyner te leurftellinge by he;n zeiven gezogt moest worden, zou hy dra'zien, dat hy anderen t'onrecht befchuldigt, wegens het gebrek van achting, welke hy zich Verbeeldt, dat hem, n't hoofde zyner loflyke hoedaanigheden, van de ganfche werelt behoorde beweezen te worden, 't Is de onmaatigheid zyner begeerte naar roem, die hem het leeven onaangenaam maakt. De eere, die hy zoekt, is de grootfte hinderpaal van zyn geluk, om dathyze op eene onmaatige wyze zoekt.

Zulk een Eergierige doet, dat meer is, dagclyks ontdekkingen, die hem fmerte veroirzaaken ; want iemant mag zo eerwaardig zyn, als mooglyk is, 'er worden, egter, Lieden in overvloed gevonden, die, uit onweetenheid, nyd, haat of boosheid, deszelvs: verdienften loochenen, en zelvs niet fchroomen, hem het voorwerp hunner verachtinge te maaken, wegenshoedaanigheden en verrichtingen, welke eigenaartig gefchikt waren, om hem eere en achting te verwerven. Kan nu iemant, die onophoudelyk, en zonder rnaate, naar eere ftreeft, naiaaten, onder de Menfchen, welken hy tot zyne' verwonderaars zeek; te K 3 maa-