is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<-T03ó" GEBREKEN.

GEBREKEN.

woon waren, meer dan gemeenlyk gefchied, op dat gene , 't welk in Kinderen en Aankomelingen omgaat, op de beweegingen en handelingen derzelven, die mooglyk den onachtzaamen en al tetederen Ouderen zeer veel vreugd veroirzaaken, opmerkzaam te zyn, endaar over emftig te denken, wy zouden 'er genoegzaam door in ftaat gefield worden, om de Ondeugden van den Man en Gryzaart, die 'er van worden zal, te konnen voorfpellen.

De Kinderen hellen gemeenlyk tot die Ondeugden over, aan welker pleeging hunne Ouderen zyn overgegeeven. Dikwils laat dit zich verklaaren, zonder dat men tot deGebrekender natuursgefteldheid zyn' toevlugt behoeft te neemen. Het eerfte, dat de Menfchen met het begin van hun aanwezen doen, is navolgen. Hun Hart vormt zich naar het Hart van die genen , welken zy geftadig voor hunne oogen hebben, en veele vroegbedrevene Ondeugden zyn geene aangeboorene, maar nagevolgde Ondeugden. Doch dikwils zyn de heerfchende Gebreken der Kinderen van dc Ondeugden der Ouderen zo zeer onderfcheiden, dat zy het volftrekte tegenftelde van de zeiven zyn. De Ouders hebben zich mooglyk dan te veel moeite gegeeven , om ze onder de heerfchappye van de zelvde Ondeugd te brengen, die door hen geliefkoosd wordt. Kozta heeft niets verzuimd om zynen Kinderen de zelvde verachtelyke liefde tot het geld in te boezemen , met welke hy den rykdom bemint. Het eerfte woord dat hy hen leerde, was geld. Het fpeelgoed dat hy hen verfchafte, was geld. De eerfte grondregels, die hy hun gemoed trachtte in te drukken , liepen over de dierbaarheid van den rykdom, en over het geluk van veel in te zamelen, en weinig uit te ftrooijen. Alle zyne poogingen om zyn' Zoon zo laaghartig als zich zei ven te maaken, waren vrugteloos. Het Kind wierp het geld weg, dat het, om meê te fpeelen, gegeeven werd,- de Knaap gaf het voor andere dingen weg, die zyne begeerten ftrcelden, en de Jongeling wierd een verkwister. Men kan de verzekeringen des Vaders gerustelyk geloof geeven , dat hy niets onbeproefd heeft gelaaten, en dat hy in der daad nog niets verzuimd, om deeze Ondeugd in hem uit te roeijen, ten einde derzelver plaats te doen inncemen, door iets dat niet heter is. Van waar ontfpringt die afkeer tegen eene Ondeugd, die van alle zydenzyne Ziel wil indringen; die hem van zyn kindschheid af niet heeft verlaaten ; tot welke de natuurlyke liefde voor zynen Vader, en de verzekertheid van hem'er door te zullen behaagen, hem bad moeten overhaalen, indien niet de geneigdheid tot de tegenoverftaande Ondeugd in de natuürlyke gefieldheid van zynen aart te zoeken ware? Waar op gronden zich de heerfchende begeerlykheden, die den eenen Mensch van den anderen onderfcheiden, dan op da verfcheidenheid der Natuursgefteldheden V

Wanneer men de Gebreken der Natuursgefteldheid ia haare kindschheid ontdekken wil, dan behoeft men maar de eigenzinnigheid, die zich in byna alle Kinderen vertoont, in haare uitwerkingen op te merken, en op de hoedaanigheid der voorwerpen te letten, met welken zy zich het eerfte laat te vreden ftellen. Alle Hartstogten en begeerten van den Mensch, zyn op zekere dingen binten zich gericht; zonder de tegenwoordigheid van dezelven, or/tbreekt haar het leeven. Het is goed dat men de Kir.de/en met verfcheiden voor¬

werpen der begeerlykheden bekend maakt, in zo Verre men tracht te weeten, welke van haat t' een;gen tyde de heerfchende zyn zal, op dat men derzelver heerschzugt by tyds vernedere, haar een' heer geeve, om het evenwigt onder de neigingen te konnen in ftand houden. Het is inderdaad moeijelyk de Gebreken der Natuursgefteldheid te veranderen , wanneer de Menfchen volwasfen zyn. Men heeft daar in altyd eenen vyand die men niet bemerkt, of veracht heeft toen hy nog klein was. Wil men hem teugelen, dan moet in s'Menfchen eerften leeftyd een begin daar mede gemaakt worden. In de tederftekindschheid, moet men hem uit zyn hoi voor den dag brengen, alwaar hy , zonder bemerkt te worden, op veroveringen in het toekomende zich toelegt. Het is moeijelyk dat gene weg te fnyden, 't welk met ons is opgefchooten. Hoe veel minder moeite zal men hebben de natuurlyke vlekken der Ziele te verminderen, en de Gebreken der Natuursgefteldheid te verbeteren , wanneer zy nog niet te diep zyn ingeworteld! Men zal die neigingen, van welken men dagt dat zy zich eens te veel meester van den Mensch zuilen maaken, en hem tot verachtelyke uitfpoorigheden verleiden, in tyds andere neigingen tegen ftellen , om zich tegen elkander te handhaaven. Men kan de natuur wel niet uitroeijen, doch men kan ze buigen. Wanneer het niet mooglyk is de fouten der Ziele geheel te verdelgen; dan kan men egter nog verhinderen, dat zy niet tot Ondeugden uitbreeken, en ten minften geene heerfchende Ondeugden worden , indien men al eens van dezelven verrast wordt. Een Kunstwerker in fyn gefteente, werpt den geheelen fteen dien hy bearbeid niet weg, om dat hy 'er een'ader in vind, die, wegens deongelykheid van kleur, niet met zyn ontwerp fchynt overeen te ftemmen: hy bewerkt hem zo lang en met zo veel oplettendheid, totdat, onder zyne meesterlykehanden, de vlekken zelvs tot eene fchoonheid worden.

Doch zo waar als het is dat 'er Gebreken der Natuursgefteldheid zyn, en men derhalven wel heeft toe te zien dat men niet aan de eene zyde afwyke, en dezelven ontkenne; zo zeer moet men ook op zyne hoede zyn, om niet in de tegengeftelde dwaaling te vervallen ; men moet ze niet voor te groot en vreeslyk, of talryker houden dan ze zyn. De meeste heerfchende Ondeugden der Menfchen, hebben inderdaad haaien grond ook, in de inrichting hunner Natuursgefteldheid. Met eene andere Geaartheid, zouden ze mooglyk door dezelven zo fterk niet zyn beheerscht geworden. Zo veel kan men toegeeven; maar wanneer men eene fchreede verder doet, dan fchuift men al cle fchuld van den Mensch, die egter meester van zyne befluiten en handelingen behoort te zyn, geheel op de Natuur. Het is waar, de Mensch is meer tot de eene dan tot de andere afwyking geneigd; maar de neiging is nog de afwyking zelve niet. Men heeft reden om zich te bedroeven, dat men van natuure een' overweegenden trek tot deeze of geene Ondeugd heeft; maar zo lang men denzelven nog geen vryher'd laat, is men ook nog niet ondeugend, indien die Ondeued voornaamlyk in een vaardig gehoorzaamen der bevelen van ongeregelde neigingen beftaat. Geene Gebreken der Natuure zyn zo groot, dat zy niet overwonnen konnen worden. De Gebreken der Natuursgefteldheid zyn de bronnen; de Ondeugden zyn de groote ftroo-

men,