Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

200S

GEERST.

meene Volk op de ftraaten roept: al heet de Koeken, al heet? zegt Lorre, ■ want koud geworden zyn ze taay en byna oneetbaar.

Wat de Cultuur, eigenfchappen, benevens verfcheidene fpysbereidingen uit de Geerst vervaardigt betreft, ziene men in ons Woordenboek, II. Deel, bl. 806, 807. daar wy alleen inzonderheid wat de Cultuur aangaat by zullen voegen, 't geen de Vertaalers van de Nieuwe wyze van Landbouw, by manier van aanteekening op dat werk 'er van hebben gezegt.

„ Zie bier (zeggen zy) kortelyk-de wyze, hoe wy „ de gewoonte hebben van de Geerst te behandelen. ,, Wy zaaijen dezelve in het laast van April of het be» gin van May, naar dat het Saifoen gunftig is, in „ cen'losfen, muilen, welgemesten grond, zo yl als „ mooglyk is, liefst op bedden, om 'er van alle kan.., ten by te kunnen komen, en de noodige grondroe„ ringen te doen ; maar dan moet men het Zaad met ,, veel asch of zand vermengen, om .dat het anders „ niet dun genoeg geftrooit kan worden. Als het •»> twee, drie of vier duim uit den grond is, naar dat „ dc noodzaaklykheid het eischt, wieden wy bet, en ,, herhaalen dit, ais 't noodig is, ten tweeden', of ,, zelvs ten derdenmaale; omdat deeze Plant, eerst „ lang klein blyvende, en veel vaag nodig hebbende, „ daarenboven door de Natuur gefchikt zynde, om .„ kragtig uit te doelen, door het onkruid ten uiterfcen ,, zou benadeeld worden. Na dit wieden laat ik de .., paden der bedden rondom omJp5tten, en herhaale » *t "0S tweemaal op the tyden", als in onze beginzeis van den Nieuwen Landbouw wordt aangeweezen. Wy fnyden het afin het najaar, als het Zaad „ ryp is, dat zich ligtelyk aanwyst, maar wy fnyden bet ten minden twee of driemaalen, neemende tel,, ken alleen die trosfen weg, die haare volkomene j, rypte hebben, en laatende de andere nog zes, tien of veertien dagen zitten,- die afgefueede trosfen ':„ werp ik op een digte Solder neder. Zo dezelve „ niet digt genoeg is, moet men eerst een laken, of ,, ander kleed daar over fpreiden. Ik werp 'er het ,, andere by, naar maate het van de Stengen koomt, „ en als ik het alles heb, laat ik het liggen, tot dat ,, ik bevinde, dat het ter deeg droog is, en doe 'er „ dan flegts met dunne ftokjes op kloppen en in „ roeren, waar door het Zaad genoegzaam uitvalt.

,, Het Zaad vergaderd en gezuiverd zynde , zyn „ 'er verfcheide middelen, om'er den bast af te kry., gen; maar geen beter, dan het naar een Pelmolen •„ te zenden.

„ Het gebruik van de Geerst is genoeg bekend. Men : „ kan 'er inderdaad lekkernyen van bereiden, en ik I „ erinnere my daar eens eene Taart van gegeeten te 1 hebben, daar men niet anders, dat 't geen onze < „ Tracftant uit zyn eigen grond gehaald hadt, in wil- 3 „ de brengen, en welke des niet tegenftaande onver- •« „ gelykelyk lekker was. Het zoude inderdaad, ge- j y looveik, der moeite waardig zyn, deezen teelt fter- j „ ker door te zetten, maar dan moet men zyn toevlugt ii onvermydelyk tot den nieuwen Landbouw neemen; r „ thands kan men van ecu koffykop vol Zaad, een {. ,, Mud van twintig op een'Last in cogflen, dan zou p „ men 'er waarfcbynlyk twee vari bekoomen. Het is C i, ongepeld een uitmuntend voeder voor de Duiven, C

GEERSTGRAS.

„ om dat zy'er we! van vaaren, en 'er door verpligt „ worden op het hok te blyven, en 'er hunne mest ,, te laaten.

GEERSTGRAS, in het Latyn Millmn, is de naam van een Rruid-Geflacht, onder de Klasfe der BriemdnMge Grasplanten gerangfehikt. De naam van Geerstgras % er door den Heere Houttuyn aan gegeeven, om dat het m gedalte naar Geerst gelvkt. De Bloemen maaken eene verfpreide Aair of Pluim. Het onderfcheidt zich door eenen tweekleppigen éénbloemigen Kelk, cue de Klepjes byna gelyk heeft, met een zeer kort Blommetje en penfeelagtige Stempels. In dit Geflacht komen ue zes volgende Soorten voor.

r. Kaaps Geemgros. Millmn Capenfe. Geerstgras, met eene haatnge Pluim en gefpitfte Kelken, wier Blommetje een krom endelings Baardie hebben. Müium Pcmcida capillan,-Calycibus acuminatis, corymb. Arsta ter* minalicurva. Linn. Syft. Nat. XII. Gen. 70. Vest XIIT p. 93- Mant. 185. T f

De Halmen van deeze Kaapfe foort, zyn eene handbreed hoog , glad en teder; de Bladen fmal, van onderen met verfpreide Haairtfes, aan den Keel gebaard De Pluim naar alle kanten verfpreid, heeft Steeltjes byna dunner als haair, en de Kelk beflaat uit eyronde buikge, gefpitfte Klepjes, die gelyk van langte zyn! Het Zaad is zo lang als de Kelk.

2. Gejllppeld Gecrstgrc.s. Müium primitatum. Geerstgrasfmtt eene Pluim van enkelde Takjes en overhoe^fe dubbelde éébzydige Bloemen. Müium Pmie Kornis flmplicisfimis, Flor. ui. geminis fecundis. Linn Speel Plant. 5. Amoen. Acad. V. p. 332.

Dit Geersgras koomt onder de jamakaife Planten ?oort; doch onzeker om welke reden het eeMneÜ rt-ordt gebynaamd. 6J "

3. NeetdraagendGeersigras. MiliumLendigerum. Geerstrras, met eene byna geaairde Pluim en gebaarde Bicenen. MiLum.PaniculaJubfpicata, Flcrihusarflatis. Linn. ipec. Plant. 4. Sciireb. Gram. p. 14. T. 23 f 3 Aeros Is ventricoja. Gouan. Hort. T. 1. Gramn feminumar■enfr, Pamc. pyramidnli. Raj. Hij}. 1288. Gramcn iellaeum Mor. Wjt.lII. p 182. S. 8. 7'. 3. ƒ. 12. Magn Monfp. 297. Gramcn Alofecuro accedens Rc. Pt ukn Hm. 177- F. 33. ƒ. 6. ^

Dit Gras aan de kust van Maldbar op de Stranten I roeijende, volgens de Heer Kosnig, beeft gladde pdaande Halmen, van eenen voet langte en Imcetormige op den kant gehaairde Bladen.- terwyl de cheeden, die de Halmen van onderen influiten ook .ughaairig zyn. Vier éenzydige losfe Trosjes uit et opperfte van den Stengel, maaken de Pluim'rit' I ïftaande in overhoekfe Bloemen. Plet grootfte Kelk- I epje is eyrond, drieribbig , fpits, platagtig, zagt i digtop de kanten gehaaird; bet andere 'lancctvor ïg, korter, naakt. Het buitenfte Bloemblaadje heeft :n regt Eind-baardje. Het Zaad met de gehee'e loem afvallende, heeft iets dat naar eene Wee-h :s veemt. b 4. Uitgefpreid Geerstgres. Milhim efufwn. Geerst grot' St gepluimde, verfpreide, ongebaarde Bloemen. MiHl Floribus panieulatis dfperfis muticis. Linn. Sp. Plant. ■ u Suec. 55, 61. Daub. Par. 23. Gort. Belg. 19 :.e. Prov. -.83- Müium Giumis diphyllis. Lenn. tHa V. ff- 27. Gramenjylratkum Panicula'miliaceafparfa. C.

Baui.

Sluiten