Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

201*

GEERVLIETSCHE TOL.

ÜEERVLIETSCHE TOL.

Het aderlaten was doodelyk. In deezen ongefükkigen toeftand van zaaken, zette zekere Vrouw eenen zieken, welken zy oppaste, een klysteer van regen-water en ongezoutens boter, en gaf tot gewoonen drank, een mengelen put-water, waar in zy een half pint zwaare wyn, het Jap van een citroen, en zes oneen broodzuiker zagtelyk liet kooken. Dit middel was van zeer gewenschten uitflag, niet alleen by deezen, maar by verre de meeste zieken, dien men 'er gebruik van deed

GEERSTVINK, zie GEERSTKNEU. GEERTEN MINNE , zie. SINT GEERTEN MINNE.

GEERVLIETSCHE TOL, is de naam van eenen zeer beroemden Graavlyken Tol, welke van oude tyden in Geervliet, dat met recht onder de oudfte Steedjes deezer Landen mag geteld worden, geheeten werd. In eenen Brief van het Jaar 1195, wordt 'er van deezen Tol gefprooken; zie Mieris Charterb. I.Dcel, bl. 129. Bekend zyn ook de oneenigheden, die, omtrent het einde der twaalfde eeuwe daar over met de Vlaamingen gereezen waren. Niet tegenftaande deeze Tol langen tyd te Geervliet geheven zy geworden, moet men egter opmerken; dat dezelve daar ter plaatze alleen niet gevordert wierde. AI van ouds waren 'er verfcheiden Wagten aangelegd, die alle.onder deezen Tot behoorden. Zulks gefebiedde voornaamlyk by het verloopen der ftroomen, wyl de Schippers en Kooplieden daar door gelegenheid ontfingen, om de Tollen, langs verkeerde wegen, te ontwyken. Tegen dergelyke ondernemingen , en bepaaldelyk met betrekking tot deezen Tol, zogten de Graaven dikwerf by byzondere wetten te waaken. Aanmerkelyk zyn ten dien einde de onuitgegeeven Ordonnantiën op de Tollen van Hertog Philips van Bourgondien, van den vierden July des jaars 1456, van Maximiliaan en Philips van Oostenryk van den drie en twïntigften Augustus des jaars 1492, en van Maximiliaan en Karel van Oostenryk van den vieren twintigften January 1511 of 1512, waar van de affchriften in eene Kas op de Weeskamer bewaard worden. Om die reden verleende Hertog Jan van Beyeren; by eenen Brief van den negen en twintigften Augustus des jaars 1421, aan de Tollenaaren van deezen Tol, vryheid, om eene Wagt te mogen plaatzen te Zwartewaal, zo op het water als op het land. In de bekende Tol-Ordonnantie van Keizer Karel den V, van het jaar 1518, wordt'er niet alleen van de Tol van Geervliet, maar ook van zyne Wagten gefprooken. Van tyd tot tyd, naar maate de Rivieren haaren loop veranderden, is het getal deezer Wagten vermeerderd, zo dat ze, thands ter tyd, reeds tot zestien aangewasfen zyn. In laater* tyd is de voornaame Ontvangst van deezen Tol naar Dordrecht, daar het Hoofdcomptoir nu gehouden wordt, overgebragt: doch, wanneer zulks gefchied zy, durven wy niet bepaalen. Wy weeten uit echte Brieven van het jaar 1478 en 1481, bewaard wordende in de Hollandfche Domeinkamer, dat 'er, toen ter tyd, reeds binnen de Stad Dordrecht op den Riedyk een Tolhuis geweest zy, het welk ftrekte tot eene Wagt van den Geervlietfchen Tol. Maar mooglyk zal iemant vraagen, werden 'er dan, daar ter Stede, twee byzondere Tollen geheeven, wyl 'er, in oude Brieven, zo dikwerf van dien Dordrechtfchen Tol gefprooken

wordt, en wel in onderfcheiding van den Geervlietfchen Tol? doch hier op antwoorden wy, dat het ons toefchyne, dat deeze Tollen alleen in naam onderfcheiden worden , en dat de Tol, die in Dordrecht geheeven werd, behoord hebbe en eene Wagt geweest zy van den Geervlietfchen Tol. Dit meenen wy te kunnen opmaaken, deels uit de zo even aangehaalde Brieven van het jaar 1478 en 1481, deels, uit het verzwygen van eenen byzonderen Dordrechtfchen Tol, waar van in ftukken van laater' tyd geen gewag gemaakt wordt. De Ordonnantiën op de Tollen van het jaar 1518, waar in alle de Graavlyke Tollen worden opgeteld, fpreekt 'er ook niet van. Waarfchynlyk, dat toen ter tyd, wanneer het Hoofdcomptoir van den Geervlietfchen Tol. in Dordrecht gelegd is, de naam van den Dordrechtfchen Tol vergeeten, en in dien van den Geervlietfchen verandert zy. Dit meenen wy met zekerheid te mogen befluiten uit eene oude Ordonnantie en Voorwaarde, waar naar, op den 17 February des jaars 1551, dees Tol verpagt is geworden: want dus ftaat "er in het Opfchrift, Ordonnantie Voorwaarden ende Conditiën daar op Boudewyn van Drenchweert Rentemeester Generaal van Zuythollant van 's Keyfers wee gen verpachten fal fyne Majejleits Tollens van Geervliet, Dordrecht , met allen anderen hueren wachten ende toebehoeren voor den tyd van drie jaeren lanck , enz. Doch wanneer zulks gefchied zy, kunnen wy niet naauwkeurig bepaalen, wyl ons geene byzondere aantekeningen zyn voorgekomen, welken dit aanwyzen. Naar alle waarfchynlykheid gebeurde zulks in het laatfte des zestiende eeuwe, wanneer de Rivier de Bornesfe verlandde. Door deeze Rivier, ftroomende weleer tusfehenGwvliet en Heenvlict, plag men voortyds uit Braband, Vlaanderen, Zeelanden andere westwaards geleegen Landen naar Holland te vaaren. Uit eene Sententie van Keizer Karel den V, van den twee en twintigften Augustus des jaars 1541, is het blykbaar, dat die Rivier, toen ter tyd, nog met veele groote Schepen bevaaren wierde. Ook heeft de naarftige Wouter van Goudhoeven, in zyne Hollandfche Kronyk, welke te Dordrecht in bet jaar 1620 allereerst het licht zag, aangetekend, dat tachtig jaaren te vooren, 't geen met het jaar 1540 genoegzaam overéénftemt, de Bornisfe voor Geervliet nog zo breed ware, als de Merwcde, tusfehen de Stad en Papendrecht. Ja, uit de zo even aangehaalde Ordonnantie, gedagtekend den zeventienden February des jaars 1551, blykt het allerzekerst, dat 'er toen nog een Tolhuis te Geervliet geweest zy, wyl de Pagter verpligt wordt, om, tot onderhoud daar van, jaarlyks eene fomma van zestig ponden, zonder korting van zyne pagt, te moeten uitreiken. Dan toen ter tyd, ten minften kort daar na, werd het Hoofdcomptoir van den Geervlietfchen Tol reeds binnen Dordrecht gehouden. Eene Inftructie voor den Dortfchen Penfionaris Mr. Cornelis van Hoogelande, van den zevenen twintigften May des jaars 1556, waar by de Regeerders van die Stad hem last geeven, om aan zyne Koninglyke Majefteit klagtig te vallen over den Pagter van den Geervlietfchen Tol, welke] gelyk zy zich uitdrukken, binnen de Stad geheven werdt, ftelt zulks buiten bedenking. Mooglyk dat de Bornisfe toen reeds meer' of min' begon te verhanden, 't geen langzamerhand, gelyk doorgaans, toeneemende, eindelyk yan eene geheele verdrooging gevolgd werd.

Dit

Sluiten