is toegevoegd aan je favorieten.

De bijbel, door beknopte uitbreidingen, en ophelderende aenmerkingen, verklaerd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JOB. XXVII. 157

22. Ende [Godt] fal al [dit] gemelde kwaed over hem werpen, of God zal, met de pijlen zijner gramfchap , op hem mikken, ende niet fparen: van fijne hant fal hy fnellick vlieden, hy maekt haest, om Góds flaende hand te ontvlieden, maer dit is onmogelyk.

23. [Een yeder] of God fal over hem met fijne handen klappen: ende over hem fluyten uyt fijne plaetfe.

God fchijnt hier voorgefteld te worden onder het zinbeeld van iemand, die verheugd is over het onderbrengen van zijnen vyand, vergel. Spreuk, t.

job erkent vs. 11-23, dat de godlozen wel eens, nae verdiensten geftraft worden, in dit leven; en byzonder toont hy , dat 'er geen zegen zy by goederen , welke door onrecht en geweld verkregen zijn. Dit had hy nooit ontkend , en wilde het zijnen vrienden gaerne toeftaen. Maer de zaek in gefchil, welke job met recht en reden tegen zijne vrienden vasthield, was deze, dat die vergelding niet altoos hier op aerde gefchiedde, zoodat men, uit iemands onheilen, niet befiuiten konde , dat hy een deügniet wezen moest, gelijk zy ten zijnen opzichte deden.

X. DEEL."