Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23Ö P S A L M. LXXXIIL

PSALM. LXXXIII,

i. gEn Liedt, een Pfalm Afaphs.

Dit lied behelst een ernftig en vertrouwelyk gebed tot God: in het welk de fpreker klaegt, over den boosaertigen toeleg van verfcheidene Heidenfche volken , die zich vereenigd hadden, om Israëls naem en gedachtenis van den aerdbodem te verdelgen ; en den heer ernftig fineekt , om deze vyandige raedflagen tot zotheid te maken.

Sommigen denken, dat de Dichter het oog hebbe, op den oorlog tusfchen Israël en de Philiftijnen , toen de laetften, op het gebed van samuel , wonderdadig verflagen werden i Sam. 7. Maer, in dit geval, was 'er geene zamenfpanning van verfcheidene volken, om Israël te verdelgen. — Anderen zijn van oordeel, dat de oorlog van david, met verfcheidene heidenfche volken, 2 Sam. 8, en 1 Chron. 18, aenleiding gegeven hebbe, tot het opftellen van dezen Pfalm. Dan, in het aengehaelde geval, oorloogde david , tegen de onderfcheidene Koningen van Syrien ; maer in dezen Pfalm wordt, van de kinderen Loths, de Ammonieten en Moabieten , gefproken vs. 9, als de eerste en voornaemfte vyanden. Voeg 'er by, dat God in de bedoelde gebeurtenis, aen david de overwinning gefchonken hebbe, in den gewoonen weg, door het zegenen van zijne wapenen; maer, in dezen Pfalm, wordt van eene wonderdadige vernieling der vereenigde legermachten van de vyanden gefproken.

Vermids nu geene gebeurtenis is voorgevallen , in de dagen van asaph_, op welke deze Pfalm kan worden toegepast , befluiten wy , dat hy, door den ï'rophetifchen

Geest , het oog gehad hebbe op toekomende zaken.

Zonder de verfchillende gedachten der Uitleggeren op te teilen , zullen wy alleenlyk ons begrip voordragen ; te

we-

Sluiten