Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING. xxiii

welke voor dit begrip worden aengevoerd, vorderen, dat de zaek wat nader onderzocht worde.

I. Eerst zullen wy daerom bewijzen, dat salomo de Schrijver zy van het Boek, den prediker genaemd, en

II. Daerna de bedenkingen ter toetfe brengen.

I. Dat salomo de Schrijver zy van dit Boek» blijkt onzes erachtens, allerduidelykst, uit de volgende bewijzen:

K. Vooreerst beroepen wy ons, op den tytel of het opfchrivt van het Boek zeiven, Kap. I: i. de woorden des Predikers, des zoons Davids, des Konings te Jerufalem. Deze perfoons befchrijving van den Opfteller past zekerlyk niet op zerubbarel. — hiski as, het is waer, was een zoon en nakomeling van david : maer wie is in meerderen nadruk, en in eenen eigenlyken zin, de zoon van david geweest, en te gelijk zijn onmiddelyke opvolger in het Koningrijk van Israël, waer van de zetel te Jerufalem was, dan salomo? verg. Kap. I: is.

3. De inhoud van het Boek zeiven bevestigt

het. De Schrijver teekent zich Kap. II:

4-10. als een Vorst van onmeetbare fchatten, en van eene allerprachtigfte hovhouding. Maer wie heeft salomo , in het een en ander, geëvenaerd? Wie heeft zoo veele groote werken ge'maekt, zoo veele Paleizen gebouwd,

XII. deel. [B 4]

Sluiten