is toegevoegd aan uw favorieten.

De bijbel, door beknopte uitbreidingen, en ophelderende aenmerkingen, verklaerd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sgg ECCLESIASTESj

HET VI. KAPITTEL.

Vs. i - 6. gaet de Prediker verder voort, met het onbetamelyke der gierigheid aen te vijzen , vs. 7-12, veroordeelt hy de onvergenoegdheid met zijn deel * welke de bron is van de gierigheid en veelerlei ondeugden,

1. | ")Aer is een quaet, eene zeer naöeelige en-

deugd, een heerfchend kwaed, dat ick gefien hebbe onder de fonne, ende het is veel onder de menfehen: die ondeugd is de gierigheid, welker fcha. delykheid ik nu in een treffend voorbeeld zal afteekenen.

2. Een man, den welcken Godt in den weg zijner Voorzienigheid, gegeven heeft rijckdom, ende goederen , ende dezen rijkdom met eere en aenzien do^: gepaerd gaen: ende hy en heeft voor fijne ziele, en ter veraengenaming van zijn leven, geenes dingS gebreck, van alles wat hy begeert ; zoodat hy vergenoegd en onbekrompen leven kan; ende Godt en geeft hem onder dat alles de macht niet, om daer van met Wijde fehrp en dankzegging te eten, maer eindelyk valt het zoodanig uit dat een vreemt man, tot welken hy geene de minlle betrekking heeft, dien rijkdom na hem op-etet: Dit is [oock'] ydelheyt,ende een quade fmerte,eene der grootfte plagen van het menschdom.

3. D2 gierigheid van zulken vrek is allerfchandelykst. Indien een man hondert [kinderen] gewonne, aen welke hy zijne bezittingen kon nalaten , en niet behoevde te vreez:n., dat zy na zijnen dood aen vreemden komen zouden , ende indien hy nog daerenboven vele jaren leefde, fo dat de dagen fijner jaren vele waren t zoodat hy meer dan gewoone gelegenheid had, om de goede-