Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ï?d JEREMIA. XVIII.

Propheten, en al het volk, tegen jeremias , ten tijde van Koning jojakim hebben in het werk gefield, Kap. 26- 7 — Het een en ander wijst ons, naer het begin der regeerin* van jojakim. *

Na het opfchrivt vs. 1. bthelst dit Kap. drie hoofddeel,n.

I. Het bevel van jeremias, om zich by eenen pottenbakker te begeven, vs. 2-4.

II. De openbaring welke hy, by die gelegenheid, ontvangen heeft, vs. 5-17.

III. De verbittering van het volk tegen zijn perfoon , toen hy deze openbariBg bekend maekte, vs. 18-23.

1. Het woort, dat tot den Propheet Jeremia in eene openbaring gefchiet is, van den HEERE, feegende: °

2. Maeckt u op, ende gaet af f>] des pottebackers huys: ende aldaer fal ick u mijne woorden, in eene openbaring doen hooren.

3. So dra ik dit bevel ontvangen had, gingh ick aenflonds af [ia] des pottebackers huys: ende fiet hy maeckte een werck op de fchijven en nae de' vormen.

4. Ende het vat, dat hy maeckte, wert verdorven en verbroken, eer het gebakken werd, en nog als leem was in de hant des pottebackers , omdat het hem niet behaegde: doe maeckte hy daer van weder van dat zelvde leem, het welk reeds eene gedaente had' gehad, een gansch ander vat, gelijck als het recht was in de oogen des pottebackers te maken, en dit vat behaegde hem veel beter, daerom werd het gebakken.

5. Doe ik deze handelwijs van den pottenbakker gezien had, gefchiedde des HEEREN woort tot my, feggende in eene openbaring :

6. 0) En fal ick ulieden niet konnen doen, ge¬

lijck

\e) Jef. 45: 9. Ronj. 9: «.3,

Sluiten