Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JEREMIA. XLIX. 453

HET XLIX. KAPITTE L.

Dit Kapittel behelst vijf onderfcheidene Godfpraken.

I. In de eerfte, worden de lotgevallen der Ammonieten afgefchetst, vs. 1-6.

II. In de tweede, die der Edomieten, vs. 7-22. UI. In de derde, die van de Syricrs, vs. 23-27.

IV. In de vierde , die van de Arabifche Kedarenen, vs. 28 33. en

,V. In de vijfde, die van de Elamieten, vs. 34-39.

De juiste tijd, wanneer deze Godfpraken den Propheet geopenbaerd zijn, kan niet bepaeld worden; uitgezonderd die van de vijfde tegen elam, welke de Propheet, volgens vs. 34, in het begin der regeering van Koning zedekia, heeft uitgefproken. — De vier eerfte zullen den Propheet vroeger zijn bekend gemaekt; misfehien gelijktijdig met die tegen Egypten, in het vierde jaer der regeering van jojakim, Kap. 46: 2.

I. In de eerfte Godfpraek vinden wy, na het opfchrivt vs. 1*. ü. Het kwaed, het welk de Ammonieten bedreven hadden vs. ib. 3. De oordeelen, welke over hen komin zouden vs. 2-5. y. Eene belovte vs. <j.

1. Tegen de kinderen Ammons, de oude vyanden der Joden, feyt de HEERE alfoo; Heeft dan Ifraël geene kinderen? en heeft hy geenen erfgenaem? immers zekerlyk ja; waerom is dan Malcam erfgenaem van (a) Gad? ende [waerom] woont fijn volck in deiïèlven fteden?

GO Amos 1: 13. XIV. PEEL. Ff 5

Sluiten