Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O

458 JEREMIA. XLIX.

veel zy konden vinden en medenemen, latende het gene zy niet konden medepakken achter blijven ? zouden zy niet genomen hebben foo veel hen genoegh ware ? latende het overige blijven? immers ja,

10. Maer uwe vyanden zullen alles mede nemen en niets overlaten; ick hebbe Efau ontbloott, geheel beroovd en nitgefchudt, ick hebbe fijne verborgeneplaetfen ontdeckt, en zal zorg dragen dat de Chal« deeuwen niet alleen als dieven alles wechnemen, het gene voorhanden is; maer ook de fchatten welke de Edomieten in onderaerdfche holen verborgen hebben: ook zullen zy Ezau in alle zijne fchuilhoeken opzoeken , zoo dat hy fich niet en fal konnen verlleken: zelvs fijn zaet en nakomelingfchap, en dus zijn ganfche volk, is geheel verftoort, ganfchelyk verwoest, oock fijne broeders, ende fijne naebueren , namelyk die volken welke met Edom ten nauwften verbonden waren, hebben het zelvde lot ondergaen, de Moabieten , die zijne broeders zijn uit Lot den Neev van Abraham oorfprongelyk, en de naest belende Philiftijnen. Edom is verwoest, ende hy en is 'er niet [meer], het ganfche volk is uitgeroeid, alleenlyk zijn 'er eenige hulpelooze weezen en weduwen overgebleven.

11. Laet uwe weefen achter, want gy Edomieten ault door de Chaldeeuwen verflagen, en genoodzaekt worden, om uwe onnoozele weezen van alles beroovd na te laten; evenwel zal Ik voor hun zorgen, ende ick fallè in 't leven behouden : ende laet uwe nablijvende weduwen op my vertrouwen.

3. Deze bedreiging omtrent de geheele verwoefting van Edom, wordt vervolgens nader uitgebreid, vs. 12-22. — A. De zekerheid van dit aengekondigde oordeel, wordt nader voorgefteld, vs. 12, 13. en dan B. wordt de uitvoering van dit oordeel, in eenige byzonderheden, nader af geteekend, vs, 14-22.

12. Want of vooneker, foo feyt de HEERE;

Siet,

Sluiten